Naar hoofdinhoud
1.. Als de subsidieverlening € 5.000 of meer maar minder dan € 50.000 bedraagt, dient de subsidieontvanger een verzoek tot vaststelling in bij het college: in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarvoor subsidie is verleend; in alle andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2.. Het verzoek tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag of een jaarverslag, waaruit blijkt in welke mate de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en in welke mate de doelstellingen zijn behaald; 3.. Het college kan bepalen dat ook andere, of meer of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd. Toelichting (model-ASV artikel 15) De model-ASV creëert de mogelijkheid voor het college om in een subsidiebeleidsregel te kiezen voor een afwijkende wijze voor het aantonen in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. Gezien de grote mate van vrijheid is geen uitgewerkte modelbepaling opgenomen. Bij subsidies van een beperkte omvang of subsidies die aan een vertrouwde subsidieontvanger worden verstrekt is het niet altijd nodig om een inhoudelijk verslag in te dienen. Hetzelfde geldt voor subsidies die voor een doel worden aangewend dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt, bijvoorbeeld de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger. Voor dit soort subsidies is, zoals gezegd, in het derde lid de mogelijkheid geopend voor het college om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Bij de aanschaf van een speeltoestel bijvoorbeeld kan gedacht worden aan een foto. Bij een gehouden evenement aan een krantenartikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel