Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 5

Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud (variant 1 model-ASV)

Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk houdende regels omtrent subsidies (Algemene Subsidieverordening gemeente Noordwijk 2020)

1.. Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepaalt het bij subsidiebeleidsregel de wijze van verdeling van de betrokken subsidie. 2.. Het college kan een subsidieplafond verlagen als: het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd. 3.. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. 4.. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen. Toelichting artikel 5 Als er met subsidieplafonds gewerkt wordt, dan schrijft de ASV voor dat in de betrokken subsidiebeleidsregel de wijze van verdeling wordt bepaald. Zie in dit verband ook de toelichting bij artikel 5 van de model-ASV voor aandachtspunten. Bij de verdeling van het subsidieplafond gaat het in feite om verdeling van schaarse rechten (subsidiegeld). Dat heeft tot gevolg dat de rechtsnorm die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen, ook van toepassing is op de verdeling van het subsidieplafond. De beschikbaarheid van de schaarse subsidie, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria moeten daarom allemaal tijdig bekend zijn. Zie ABRvS 11-07-2018, ECLI:NL:RVS:2018:2310, m.nt. J.E. van den Brink en A. Drahmann.

Rechtspraak bij dit artikel