Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Agrarisch - 2

Onderdeel van BEHEERSVERORDENING Buitengebied Noord Hoogeveen, 2017

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch-2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden; behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurlijkewaarden, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'landgoed'en/of 'natuur'; uitoefening van het agrarischbedrijf; bosbouw, met uitzondering van de gronden aangeduid met 'open gebied'; edagrecreatie; wonen, uitsluitend voorzover  de gronden zijn aangeduid met  'woning', 'woning landgoed' en/of 'dubbele woning'; kwekerij, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduidmet 'kwekerij'; niet-agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2; verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van recreatiewoningen met bijbehorende kleinschalige recreatieve  voorzieningen en  beheersvoorzieningen,  uitsluitend voorzover  de gronden zijn aangeduid met 'recreatiewoningterrein'; camping, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduidmet 'kampeerterrein'; begraafplaats, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduidmet 'begraafplaats; bestaand bos, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduid met 'bestaand bos'; beheersgebouw, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduidmet 'beheersgebouw'; clubhuis, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduid met 'clubhuis'; verkeer, uitsluitendvoorzover het de bestaande wegen betreft; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; terrein van archeologische betekenis, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'terrein van archeologische betekenis'; terrein van hoge  archeologische waarde, uitsluitend voorzover de  gronden zijn aangegeven met 'terreinvan hoge archeologische waarde'; terrein van zeer hoge archeologische waarden, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'terreinvan zeer hoge archeologische waarde'; veiligheidszone munitie, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'veiligheidszone munitie A', 'veiligheidszone munitie B en 'veiligheidszone munitie C'; vrijwaringszone radiotelescoop, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'vrijwaringszone radiotelescoop'; ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken. 4.1.1 Nadere uitwerking bestemmingsomschrijving In het doel'behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden' is het aanbrengen vanlandschapselementen groter dan 1 ha niet begrepen. In het doel 'kwekerij' is detail-en groothandel begrepen, uitsluitend voorzover het ter plaatse gekweekte producten betreft. In het doel 'uitoefening vanhet agrarisch bedrijf' zijn kwekerijen niet begrepen. In het doel 'uitoefening van het agrarischbedrijf' is het kweken van laan- en parkbomen en boomfruit niet begrepen indien de gronden zijn aangeduid met 'open gebied'; In het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' is het vergisten van mest/organische bijproducten begrepen tot een doorzet van maximaal 100 ton per etmaal. Mestopslagplaatsen, toren- en sleufsilo's, buiten het in 4.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak, zijn niet in het doel 'uitoefening vanhet agrarisch bedrijf' begrepen. Het doel 'bosbouw' is beperkt tot bestaand bos, bestaande bosstroken en de aanleg van bos en bosstroken. De aanleg van bos en bosstrokenis niet toegestaan voorzover de grondenzijn aangeduid met 'open gebied'. Het doel 'niet-agrarische bedrijven' is beperkttot de op het moment dat de beheersverordening is vastgesteld aanwezige bedrijfsuitoefening en voor nijverheidsbedrijven of ambachtelijke of dienstverlenende bedrijven(waaronder opslag begrepen) genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijvendan wel hiermee wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven. Bij de beoordeling of sprake is van een bedrijf dat wat betreft het leefklimaat vergelijkbaar is met de bedrijvengenoemd in de categorieën 1 en 2, ligt de nadruk op de aspecten geluid, lucht, water, bodem en verkeer. In het doel 'Ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken' geldt dat nieuwe ontsluitingsvoorziening alleen zijn toegestaan, voorzover de overige doeleindenuit de bestemmingniet in hun doelmatig gebruiken/of hun functie worden beperkt. De doeleinden ten aanzien van het behoud en herstel,en voorzover de grondenop de verbeelding zijn aangeduid als 'landgoed' en/of 'natuur' de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden worden nagestreefd doormiddel van behoud, herstel en/of, voorzover de gronden op de plankaart zijn aangeduid als 'landgoed' en/of 'natuur', de ontwikkeling van de volgendeessentiële ruimtelijke randvoorwaarden: open gebied ten noorden van Fluitenbergen nabij Zonne Claer reliëf; grootschalige landbouwpercelen nabij Zonne Claer; malle, langgerektepercelen ten noorden van Fluitenberg, ten noorden van de Wijsterse Weg en rond Zwartschaap; afwisseling in open gebiedenen bosgebieden tussen Tiendeveen en Nieuweroord; twee grafheuvelsten noorden van Fluitenberg; cultuurhistorisch waardevolle wijken nabij Nieuweroord; beekdal Ruiner Aa ten noorden van Pesse; terreinen van archeologische betekenis en archeologische waarde; verspreide bebouwingnabij Zwartschaap; bebouwing in één bouwlaag met kap; Nuil cultuurhistorisch waardevolle nederzetting. Het doel 'dagrecreatie' is beperkt tot de inrichting en hetgebruik van de bestaande dagrecreatieve terreinen en van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknick-plaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen en voorzover op de plankaart aangegeven met 'dagrecreatie' tevens voor een golfterrein. Van de in de bestemming begrepen wegen mag het aantal rijstroken ten hoogste twee bedragen. 4.1.2 Onderlinge verhoudingen Ondergeschikte doeleinden Alle overige doeleinden zijn ondergeschikt aan het doel 'uitoefening van het agrarischbedrijf' en 'behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden'. Bovengeschikte doeleinden Het doel 'uitoefening van het agrarischbedrijf'en 'behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden' zijn bovengeschikt aan de overigedoeleinden. Nevengeschikte doeleinden Voorzover de onderlinge verhouding niet is aangemerkt als ondergeschikt of bovengeschikt zijnde doeleinden nevengeschikt aan elkaar. Voorzover activiteiten slechts toelaatbaar zijn op grond van een afwijking of aanlegvergunning zal voorzoverhet betreft het behoud en/of herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden de onderlinge verhouding worden bepaald ten opzichte van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de in 4.1 genoemde kenmerken en kwaliteiten. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Bebouwing ten dienste van de bedrijfsmatigeuitoefening van het agrarisch bedrijf de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing, ter plaatse van de aanduiding agrarisch bedrijf,mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha; de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing waarbij een intensieve tak is uitgesloten, ter plaatse van de aanduiding grondgebonden agrarisch bedrijf,mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha; de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak met bijbehorende bebouwing, ter plaatse van de aanduiding grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak, mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha. 4.2.1.1 Bedrijfsgebouwen Van gebouwenmag de goot- en bouwhoogte ten hoogste 4,5 m, respectievelijk 12m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen. De bouwhoogte van kassen bedraagt ten hoogste 8 m. De afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m; De oppervlakte van gebouwen ten behoeve van fokkerijen,mesterijen en/of pluimvee mag per bedrijf aangeduid met 'grondgebonden agrarisch bedrijf' en 'grondgebonden agrarische bedrijf met bestaandeintensieve tak' ten hoogste 250 m² dan wel ten hoogste de bestaandeoppervlakte bedragen indien deze meer bedraagt; De oppervlakte van gebouwen ten behoeve van fokkerijen,mesterijen en/of pluimvee mag per bedrijf aangeduid met 'agrarisch bedrijf' ten hoogte de bestaandeoppervalkte bedragen, vermeerderd met 250 m2 of ten hoogste 10 % van de bestaandeoppervlakte indien deze oppervlakte meer dan 2500m2 bedraagt; Onder bedrijfsgebouwen zijn kassen toegestaan met een bouwhoogte van meer dan 1,2 m tot een oppervlakte van 1000m2, met dien verstandedat het oprichten van kassen niet is toegestaan voor zover de gronden zijn gelegen binnen het gebied dat op de verbeelding aangeduid is met 'veiligheidszone munitie C'; 4.2.1.2 Bedrijfswoningen Per bedrijf is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan. Wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 4.2.2; 4.2.1.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 12 m bedragenbinnen het genoemdeaaneengesloten oppervlak van 1,5 ha; Buiten het genoemde aaneengesloten oppervlak van 1,5 ha: 1. is de bouw van kassen toegestaantot een bouwhoogte van 1,2 m, met dien verstandedat het oprichtenvan kassen niet is toegestaan voorzover de gronden zijn gelegen binnen het gebied dat op de verbeeldingis aangeduid met 'veiligheidszone munitie C'; 2. mogen uitsluitend andere bouwwerken, niet zijnde overkappingen en mest- en sleufsilo's, worden gebouwd tot een maximalebouwhoogte van 3 m. 4.2.1.4 Overige bepalingen De bebouwing dient per bedrijf te worden geconcentreerd binnen een denkbeeldige vierhoek. De uitbreidingsrichting dient aan te sluiten bij het aanwezige bebouwingspatroon, waarbij tevens rekening dient teworden gehouden met het uitzicht van woningen. 4.2.2 Bebouwing ten dienste van wonen 4.2.2.1 Bouwregels hoofdgebouw Ten behoeve van wonen is per met 'woning' aangeduid gebied ten hoogste één woning toegestaan; Per met 'dubbele woning' aangeduid gebied zijn ten hoogste twee woningen toegestaan, uitsluitend in de vorm van twee-aaneen-gebouwde woningen dan wel in de vorm van twee wooneenheden in een voormalig agrarisch bedrijf; De goothoogte bedraagt voor ten minste 65 % van de lengte maximaal 3,5 m en voor het resterende gedeelte ten hoogste 4,5 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen. De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m. Het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap, waarvan de helling minimaal 30° en maximaal 60° dient te bedragen. Bij verbouw dient te worden aangesloten bij de bestaandeverschijningsvorm. De  oppervlakte  van het  hoofdgebouw bedraagt  ten  hoogste 200 m², dan wel  de  bestaande oppervlakte indien deze groter is. 4.2.2.2 Bouwregels bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen, waaronder begrepen aan- en uitbouwen, de volgende bepalingen gelden: De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en bijgebouwen per hoofdgebouw bedragen maximaal: 1. 150 m2 bij een erf met een oppervlakte tot 1.500m2; 2. 175 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 1.500m2 tot 2.000 m2; 3. 200 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 2.000m2 en groter; en met dien verstande dat: ten hoogste 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf mag worden bebouwd; de afstand tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen maximaal 30 meter mag bedragen; de bouwhoogteniet meer dan 80% van de bouwhoogtevan het hoofdgebouw mag bedragen, met dien verstandedat de bouwhoogte in ieder geval maximaal 6 meter mag bedragen, ongeacht de bouwhoogte van het hoofdgebouw; een bijgebouw moet zijn voorzien van kap, waarvan de dakhelling niet minder dan 30°en niet meer dan 60° mag bedragen; In aanvullingop het bepaalde onder sub a tot en met sub e is de bestaande maatvoering toegestaan, met uitzondering van op het tijdstip van inwerking treden van het plan bestaande maatvoering die is gebouwd zonder vergunningen in strijd is met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Wanneer dit bestaande bijgebouw wordt gesloopt is voor de bebouwinghet bepaalde onder sub a tot en met sub e van toepassing, met uitzondering van de oppervlakte. Hiervoor geldt dat de bestaande overschrijding van het aantal vierkantemeters aan aan- en bijgebouwen terug mag worden gebouwd,tot een maximum van 500 m2 aan aan- en bijgebouwen. Hierbij zijn de m2 die bij recht zijn toegestaan inbegrepen. 4.2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte vanbouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat voor erf- of perceelsafscheidingen geldt dat de hoogte: maximaal1 meter mag bedragen; of maximaal 2 meter mag bedragen,mits meer dan 1 meter achter het verlengdevan de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd; 4.2.3 Bebouwing ten dienste van woning landgoed Ten behoeve van wonen is per met 'woning landgoed' aangeduid gebied ten hoogste één woning toegestaan; De vloeroppervlakte van de woning bedraagt minimaal 350 m2 en maximaal600 m²; De bouwhoogtebedraagt minimaal 5 m en maximaal 12 m; De afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m; Indien het hoofdgebouw wordt afgedekt met een kap, mag de hoogte van de dakopbouw maximaal twee/vijfde van de totale hoogte bedragen; Ten behoeve van de woning aangeduid met 'woning landgoed' zijn aan- en bijgebouwentoegestaan tot een gezamenlijke oppervlakte van 200 m²; De bouwhoogtevan de aan- en bijgebouwen mag maximaal 6 m bedragen, terwijl de goothoogtemaximaal 4,5 m mag bedragen; De aan- en bijgebouwendienen een ruimtelijke eenheid te vormen met het hoofdgebouw. Het aantal bijgebouwenbedraagt maximaal twee. 4.2.4 Bebouwing ten dienste van niet-agrarische bedrijven Ten behoeve van de betreffende bedrijven op de verbeelding aangeduid met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2' mag de oppervlakte van de bestaandegebouwen met maximaal10% worden vergroot; De goot- en bouwhoogtevan de gebouwen mogen maximaal 4,5 m respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen, indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; d. Per op de verbeelding met 'bedrijven, categorie B1' aangeduid bedrijf is de bouw van maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Voor het overige is de bouw van bedrijfswoningen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoningen, niet toegestaan; e. Wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 4.2.2; f. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen. 4.2.5 Bebouwing ten dienste van kwekerij Gebouwd dient te worden binnen het bouwvlak; De goot- en bouwhoogte van gebouwen bedraagt respectievelijk ten hoogste 3,5 m en 8 m dan wel ten hoogste de bestaandegoot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m; Bedrijfswoningen (met uitzondering van de bestaande) zijn niet toegestaan. Wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 4.2.2; De hoogte van bouwwerkengeen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen. 4.2.6 Bebouwing ten dienste van recreatiewoningenterrein Voorzover de gronden zijn aangeduid met 'recreatiewoningterrein' gelden de volgende bepalingen: het bebouwdeoppervlak bedraagt maximaal 100 m² (inclusief aanbouwen en bijgebouwen) dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is; de perceelsoppervlakte bedraagt per recreatiewoning minimaal 300 m²; de afstand van gebouwentot de grens met de aanduiding 'recreatiewoningterrein' dient ten minste 10 m, dan wel ten minste de bestaande afstand indien deze minder is, te bedragen; de gronden met de aanduiding'recreatiewoningterrein' mogen tot een oppervlakte van 5 ha voor ten hoogste 3% worden bebouwd ten behoeve van beheer en voorzieningen, te verhogen met 1% van het aantal meerdere hectares boven de 5 ha; uitbreiding van het aantal bestaanderecreatiewoningen op het recreatiewoningterrein is niet toegestaan; gebouwd dient te worden in één bouwlaag met of zonder kap met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 m en 6,5 m voor de recreatiewoningen, dan wel ten hoogste de bestaandegoothoogte en bouwhoogte indien deze meer bedragen; de afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m; de bouwhoogtevoor gebouwen ten behoeve van beheer en voorzieningen bedraagt ten hoogste 10 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedragen. Gebouwd dient te worden in één bouwlaag met kap; per recreatiewoningterrein is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan. Wat betreft de bouwregels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 4.2.2; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag voor speeltoestellen maximaal 8 m en voor overige bouwwerkenmaximaal 3 m bedragen. 4.2.7 Bebouwing ten dienste van camping Op de gronden aangeduid met 'camping' zijn uitsluitend kampeermiddelen toegestaan als bedoeld in 1.60, alsmede gebouwenten behoeve van beheer en voorzieningen (zoals kampwinkel, zwembad, recreatieruimtes et cetera), chalets, stacaravans en groepsaccommodatie, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: tot een oppervlakte van 5 ha mag ten hoogste 3% van de oppervlakte van het verblijfsrecreatieterrein worden bebouwd met een groepsaccommodatie en gebouwen ten behoeve van beheer en voorzieningen; indien een terrein groter is, mag voor iedere hectare meer 1% meer worden bebouwd; gebouwenten behoeve van beheer en voorzieningen dienen te worden gebouwd in één bouwlaag met kap; de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van beheer en voorzieningen bedraagt maximaal 10 m; binnen reeds aanwezigebebouwing mag een groepsaccommodatie worden gerealiseerd, met dien verstandedat bij herbouw uitsluitend de bestaande oppervlakte mag worden herbouwd en de bouwhoogte maximaal 80% van het hoofdgebouw mag bedragen; de afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m; maximaal 20 % van het aantal standplaatsen mag gebruikt worden voor een vast kampeermiddel als bedoeld in 1.94 , waarbij de oppervlakte van een vast kampeermiddel maximaal 50 m2 bedraagt en de goothoogte maximaal 3,5 m; per camping is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan. Wat betreft de bouwvoorschriften van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 4.2.2; de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag voor speeltoestellen maximaal 8 m en voor overige bouwwerkenmaximaal 3 m bedragen; het kampeerterrein moet worden voorzien van een afschermende groenstrook van minimaal 8m breed, waarbij alleen gebruik mag worden gemaakt van inheemse struik- en boomvormers. Tevens dient deze groenstrook op een zodanige wijze te worden onderhouden dat een goede landschappelijke inpassingwordt gewaarborgd. 4.2.8 Bebouwing ten dienste van landgoed Voorzover de grondenzijn aangeduid met 'woning landgoed' gelden de bepalingen zoals opgenomenin 4.2.3; Ten behoeve van het doel 'landgoed' mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwdten behoeve van: de uitoefening van het grondgebonden agrarisch bedrijf,met uitzondering van mest- en sleufsilo's; niet-commerciële duivenhouderij; openbare nutsvoorzieningen. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagtmaximaal 6 m. De inhoud van bouwwerken geen gebouwen zijnde, waaronderbegrepen een duiventil, bedraagt 16 m3. 4.2.9 Bebouwing ten dienste van dagrecreatie Ten behoeve van het doel 'dagrecreatie' is uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduidmet 'beheersgebouw' een beheersgebouw ten behoeve van het golfterreinmet een maximale oppervlakte van 850 m² en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 m en 8 m toegestaan; Ten behoeve van het doel 'dagrecreatie' is uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduidmet 'clubhuis' een clubhuis ten behoeve van het golfterreinmet een maximale oppervlakte van 1.750 m² en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 m en 8 m toegestaan. 4.2.10 Bebouwing ten dienste van overige doeleinden Voor het doel 'verkeer' is het bouwen beperkt tot bouwwerken, geen gebouwenzijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 12 m; Ten behoeve van de doel 'begraafplaats' is het bouwen van bouwwerkenbeperkt tot 5% van deze gronden en is de bouwhoogtevan bouwwerken beperkt tot maximaal 6 m, met dien verstandedat het realiseren van een bedrijfswoning ten behoeve van de doel 'begraafplaats' niet is toegestaan. De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; Ten behoeve van het doel 'natuur' is het bouwen beperkt tot bouwwerken, geen gebouwenzijnde, tot een bouwhoogte van 3 m, met dien verstandedat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend mogen worden gebouwd indien deze ten dienste staan aan de natuurdoelstellingen; Voor de overige doeleindenis het bouwen beperkt tot bouwwerken, geen gebouwenzijnde, tot een bouwhoogtevan maximaal 3 m. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan: de plaats van de bebouwingten behoeve van agrarischebedrijven in die zin dat: 1. dient te worden gebouwd binnen een denkbeeldige rechthoek; 2. de maximalebreedte langs de weg ten hoogste 100 m en de maximale diepte ten hoogst 200 m mag bedragen; de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, nokrichting en dakvorm en afmeting van de gebouwen; de situeringvan woningen en aanbouwen en bijgebouwen; de situeringvan gebouwen en bouwwerken bij agrarische bedrijven in die zin dat wordtgestreefd naar een geconcentreerde vorm van bebouwingbinnen een bouwvlak; de verhouding tussen de oppervlakte van het hoofdgebouw en de aanbouwen en bijgebouwen. 4.4 Afwijken bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van: 1. van het bepaaldein 4.2.1.2 en de bouw van een tweede bedrijfswoning toestaan bij een agrarisch bedrijf, mits wordt gebouwd binnen het in 4.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak, met dien verstandedat een tweede bedrijfswoning niet mag worden gebouwd op de gronden die op de verbeeldingzijn aangegeven met 'veiligheidszone munitie B', mits: de noodzaakvan de tweede bedrijfswoning is aangetoond voor de bedrijfsvoering van het agrarischbedrijf; de levensvatbaarheid van het agrarisch bedrijf is aangetoond. 2. van het bepaaldein 4.2.1. en een vergroting van het oppervlak ten behoeve van fokkerijen, mesterijen en/of pluimveetoestaan, bij de met 'grondgebonden agrarisch bedrijf' aangeduide bedrijven,indien dit noodzakelijk is op basis van wettelijke regels op het gebied van dierenwelzijn en -gezondheid, mits wordt gebouwd binnen het 4.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak; 3. van het bepaaldein 4.2.1. en een vergroting van het oppervlak ten behoeve van fokkerijen,mesterijen en/of pluimveetoestaan, bij de met 'grondgebonden agrarisch bedrijf met bestaande intensievetak' en 'agrarisch bedrijf' aangeduide bedrijven, indien ditnoodzakelijk is op basis van wettelijke regels op het gebied van dierenwelzijn en -gezondheid, mits wordt gebouwd binnen het 4.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak 4. van het bepaaldein 4.2.1.1 en 4.2.5 en een grotere goothoogte van agrarische bedrijfsgebouwen en kwekerijentoestaan tot een goothoogte van 5 m; 5. van het bepaaldein 4.2.4 en uitbreiding van bebouwing ten dienste van niet-agrarische bedrijven toestaan,uitsluitend voorzover deze op de plankaart zijn aangeduidmet 'bedrijven, categorie B1', mits de oppervlakte met niet meer dan 25% wordt vergroot; een uitbreiding met meer dan 25% is mogelijk na een vooraf verkregen schriftelijke akkoordverklaring van Gedeputeerde Staten en als de bedrijfseconomische noodzaakis aangetoond; 6. van het bepaaldein 4.2.1 en de bouw toestaan van een mestsilo buiten het in 4.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlaktot een inhoud van 2.500 m³ en met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m (exclusief afdekking), met dien verstande dat deze afwijking niet van toepassingis voorzover de gronden zijn aangeduidmet 'open gebied', mits: onvoldoende fysieke ruimte binnen het bouwperceelaanwezig is of ;vanwege milieuhygiënische knepunten realiseringop het bouwperceelongewenst is of;bedrijfstechnische en verkeerstechnische overwegingen aanwezig zijn, waarom mestopslag op een veldkavel moet worden gerealiseerd. 7. van het bepaaldein 4.2.1 en de bouw toestaan van sleufsilo's buiten het in 4.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak tot een bouwhoogte van 3 m en tot een inhoud van maximaal 2.500 m³; 8. van het bepaaldein 4.2.3 en toestaan dat de vloeroppervlakte van de woning aangeduid als 'woning landgoed' wordt vergroot tot maximaal 750 m2; 9. van het bepaaldein 4.2.3 en toestaan dat bij de woning aangeduid als 'woning landgoed' de maximale oppervlakte voor aan- en bijgebouwen wordt vergroot tot 250 m2; 10. van het bepaaldein 4.2.2 de verbouw toestaan van een bestaande woning met bijgebouwentot buitenplaats met een minimum oppervlakte van 300 m² en een maximum oppervlakte van 600 m², mits: het gelegen is op de gronden aangeduidmet 'landschapsbouw'; sprake is van (de aanplant van) minimaal1 ha bos; de woning op een hoek of een overgang in het landschapsbeeld staat, dan wel de beëindiging van een zichtlijn vormt of een soortgelijke prominenteplaats; door de situering,afmetingen, kleurstelling en bouwstijl van de gebouwen het karakter als buitenplaats wordt verkregen; het erf van voldoende omvang is (ten minste 1.500 m²); deze afwijkingis niet van toepassing voorzover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'veiligheidszone munitie A' of 'veiligheidszone munitie B'. 11. van het bepaalde in 4.2.2. enhet afwijken van de bestaande verschijningsvorm toestaan bij her- en/of verbouw van een bestaand hoofdgebouw, uitsluitend voorzover het pand op de verbeelding is aangeduid met 'woning' of 'dubbele woning', mits: bestaande verschijningsvorm stedenbouwkundig gezien niet de meest gewenste is; indien van toepassingbij het wijzigen van de verschijningsvorm rekening wordt gehouden met de ter plaatse geldendeuitgangspunten zoals deze in de nota ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd; De onder a bedoelde afwijking mag: 1. geen onevenredige afbreuk doen aan de in 4.1 omschreven waarden; 2. geen onevenredig negatieve invloed hebben op het milieu,de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater; 3. geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van andere gronden en gebouwe Voorzover de afwijking onder a gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceel of bouwblok en op de verbeelding zijn aangeduid als 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde', wordt de afwijking niet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijkingbetrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de verbeelding met 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde' aangeduidegebieden. 4.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdigmet deze bestemming zoals bedoeld in 4.1 jo artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend: 1. het gebruik van vrijstaandebijgebouwen voor bewoning met uitzondering van mantelzorg; 2. het gebruik van de gronden voor een paardenbak, met uitzondering van alle soorten agrarische bedrijven en niet agarischebedrijven categorie B1; 3. het gebruik van recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen ten behoeve van permanente bewoning; 4. het gebruik van kampeermiddelen ten behoeve van bewoning. Gebruik van ruimten binnen de (bedrijfs)woning of in de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met bijbehorende bijgebouwen mag, indien dat niet meer dan 75 m² betreft, worden gebruikt voor aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; 2. de activiteitdient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de woonomgeving; 3. de activiteit mag niet vergunningplichtig danwel meldingsplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn; 4. er mag geen detailhandel ter plaatse plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit van de aan-huis-verbonden activiteit of e-commerce; 5. ten behoeve van e-commerce is geen showroomaanwezig. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.5 indien strikte toepassingvan dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringenderedenen wordt gerechtvaardigd; Burgemeester en wethouderskunnen bij omgevingsvergunning afwijken voor het aanbrengen van mestopslagplaatsen, welke niet als bouwwerk worden aangemerkt, tot een inhoud van 2.500 m³, buiten het in 4.2.1 genoemdeaaneengesloten oppervlak, mits: onvoldoende fysieke ruimte binnen het bouwperceelaanwezig is of;vanwege milieuhygiënische knepunten realisering op het bouwperceel ongewenst is of; bedrijfstechnische en verkeerstechnische overwegingen aanwezig zijn, waarom mestopslagop een veldkavel moet worden gerealiseerd. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van het gebruik van gronden voor een paardenbakbij omgevingsvergunnning afwijken van de regels, met dien verstande dat: 1. de afwijkingalleen betrekking heeft op de aanduiding 'woning' en 'dubbele woning'; 2. de afstand tot het erf niet meer dan 30 m bedraagt; 3. de afstand tussen de paardenbaken een bestaande woning van derden ten minste 15 m bedraagt; 4. de oppervlakte van de paardenbak niet meer dan 800 m² bedraagt; 5. een open omheining wordt toegepast met een maximalehoogte van 2 m; 6. de paardenbakniet is voorzien van bestrating of andere verharding; 7. de hoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 3,5 m met dien verstande dat de lampen moeten worden voorzien van een afschermende kap, waardoor de lichtbundel uitsluitend is gericht op de paardenbakzodat de omgeving gevrijwaardblijft van lichthinder; 8. een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van evenementenbij omgevingsvergunning afwijken van de regels. Deze afwijking is niet van toepassingvoorzover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'veiligheidszone munitie A' of 'veiligheidszone munitie B'. Voorzover de onder b, c en d genoemde afwijkinggepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekkingheeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceelof bouwblok en op de verbeeldingzijn aangeduid met 'terreinvan archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde', wordt de afwijking niet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijking betrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de plankaartmet 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde' aangeduide gebieden. De onder b, c en d genoemdeafwijking mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 1 omschreven waarden. 4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijkingvan een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen van beplantingen ten behoeve van de teelt van laan- en parkbomen en boomfruit, alsmede bos voorzoverde gronden niet zijn aangeduidmet 'open gebied'; 2. het aanleggenvan dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen. 3. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 4. het aanbrengen van lijnvormige beplantingen; 5. het aanbrengen van drainage en/of een greppelsysteem, het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieonderzoek), het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen voorzover het gronden betreft die zijn aangeduid met 'hydrologisch aandachtsgebied'; 6. egaliseren. De sub a bedoelde vergunning is niet vereist indien: 1. werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud tot doel hebben; 2. De sub a, onder 4 bedoelde vergunning is niet vereist indien sprake is van erfbeplanting. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z'n geheel in de beoordeling betrokken. De sub a bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 1 omschreven waarden. Indien de aanlegvergunning gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de aanlegvergunning voorgelegd aan het betreffende waterschap met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies. Voorzoverde aanlegvergunning onder a gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceel of bouwblok en op de verbeeldingzijn aangeduid als 'terreinvan archeologische betekenis' of 'terreinvan hoge archeologische waarde', wordt de aanlegvergunning niet eerder verleend dan nadat advies is ingewonnen bij de provinciaal archeoloog. Dit advies zal tevens worden ingewonnenindien de aanlegvergunning betrekking heeft op gronden binnen een strook van 50 m rond de gebiedenop de plankaart aangeduid met 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde'. Voorzoverde sub a, onder 5 bedoelde vergunningbetrekking heeft op gronden die zijn aangeduidmet 'hydrologische aandachtsgebied' en tevens zijn voorzien van de aanduiding 'bestaand bos', zal het verzoek om aanlegvergunning mede worden afgewogen op basis van de gevolgen voor het omliggende agrarische gebied. De sub a, onder 1 bedoelde vergunning wordt, voorzoverdeze betrekking heeft op de aanplant van bos, niet eerder verleend dan nadat advies is ingewonnen bij de de provincie Drenthe. De sub a, onder 1 bedoelde vergunning wordt niet verleend indien als gevolg van de bosaanplant omliggende agrarische bedrijven in de (toekomstige) uitbreidingsmogelijkheden worden belemmerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel