Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Agrarisch - 5

Onderdeel van BEHEERSVERORDENING Buitengebied Noord Hoogeveen, 2017

7.1 Bestemmingsomschrijving De als zodanig op de verbeelding aangegeven gronden zijn bestemd voor: a. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke- en natuurlijke waarden; en voor de volgendesociaal-economische doeleinden: b. dagrecreatie; c. bosbouw; d. wonen, uitsluitendvoor zover de gronden zijn aangegevenmet 'woning'; e. verkeer, uitsluitendvoorzover het de bestaande wegen betreft; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. recreatiewoning, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangegeven met 'recreatiewoning'; h. bestaand bos, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangegeven met 'bestaand bos'; i. terrein van archeologische betekenis, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'terrein van archeologische betekenis'; j. terrein van zeer hoge archeologische waarde, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangegeven met 'terreinvan zeer hoge archeologische waarde'; k. veiligheidszone munitie C, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'veiligheidszone munitie C'; l. ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken. 7.1.1 Nadere uitwerking bestemmingsomschrijving In het doel 'behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden' is het aanbrengen en kappen van landschapselementen uitsluitend met toepassing van een aanlegvergunning toegestaan. In het doel 'Ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken' geldt dat nieuwe ontsluitingsvoorziening alleen zijn toegestaan, voor zover de overige doeleinden uit de bestemming niet in hun doelmatig gebruiken/of hun functie worden beperkt. De doeleinden ten aanzien van het behoud,herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden worden nagestreefd door middel van behoud, herstel en/of ontwikkeling van de volgendeessentiële ruimtelijke randvoorwaarden: - Boerveense plassen vrijwel vlak, heischraalheideterrein met veel venige laagten, vennetjes en veenputten; - grafheuvel in de Boerveense plassen; - zeldzame plantensoorten, zoals de Gevlekte orchis, Liggende vleugeltjesbloem, - Heidekartelblad Oeverkruid, Kleine en Ronde zonnedauwen Moeraswolfsklauw in de - Boerveense plassen; - grote vogelrijkdom in de Boerveense plassen; - cultuurhistorisch waardevolle klinkerweg door de Boerveense plassen; - nauwelijks bebouwing; - uitbundige groei van Kamperfoelie in Kremboong; - reliëf in Kremboong; - rechtlijnige padenstructuur in Kremboong; - structuurrijke houtopstandmet ondergroei van Rode en Blauwe Bosbes in Kremboong; - rijke paddenstoelen- en plantenleven in Kremboong; - vlakke en hooggelegen plateaus met steilranden in het Nuilerveld; - gevarieerde samenstelling van de heide in het Nuilerveld. Het doel 'dagrecreatie' is beperkt tot de inrichtingen het gebruik van voet-, fiets- en ruiterpaden, uitsluitend overeenkomstig de bestaande situatie. Het doel 'bosbouw'is beperkt tot bestaand bos of bosstroken en voor de aanleg van bos en bosstroken. Van de in de bestemmingbegrepen wegen mag het aantal rijstroken ten hoogste het bestaande aantal bedragen 7.1.2 Onderlinge verhoudingen Ondergeschikte doeleinden Alle overige doeleinden zijn ondergeschikt aan de doeleinden 'behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden'. Bovengeschikte doeleinden De doeleinden 'behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden' zijn bovengeschikt aan de doeleinden 'wonen' en 'dagrecreatie'. Nevengeschikte doeleinden Voorzover de onderlinge verhouding niet is aangemerkt als ondergeschikt of bovengeschikt zijn de doeleinden nevengeschikt aan elkaar. Voorzover activiteiten slechts toelaatbaar zijn op grond van een afwijking of aanlegvergunning zal voorzoverhet betreft het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden de onderlinge verhouding worden bepaald ten opzichte van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de in 7.1 genoemde kenmerken en kwaliteiten. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Bebouwing ten dienste van wonen 7.2.2.1 Bouwregels hoofdgebouw Ten behoeve van wonen is per met 'woning' aangeduid gebied ten hoogste één woning toegestaan; Per met 'dubbele woning' aangeduid gebied zijn ten hoogste twee woningen toegestaan, uitsluitend in de vorm van twee-aaneen-gebouwde woningen dan wel in de vorm van twee wooneenheden in een voormalig agrarisch bedrijf; De goothoogte bedraagt voor ten minste 65 % van de lengte maximaal 3,5 m en voor het resterende gedeelte ten hoogste 4,5 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m. Het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap, waarvan de helling minimaal 30° en maximaal 60° dient te bedragen; Bij verbouw dient te worden aangesloten bij de bestaandeverschijningsvorm; De  oppervlakte  van het  hoofdgebouw bedraagt  ten  hoogste 200 m², dan wel  de  bestaande oppervlakte indien deze groter is. 7.2.2.2 Bouwregels bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen, waaronder begrepen aan- en uitbouwen, de volgende bepalingen gelden: De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en bijgebouwen per hoofdgebouw bedragen maximaal: 1. 150 m2 bij een erf met een oppervlakte tot 1.500m2; 2. 175 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 1.500m2 tot 2.000 m2; 3. 200 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 2.000m2 en groter; met dien verstande dat: ten hoogste 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf mag worden bebouwd; de afstand tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen maximaal 30 meter mag bedragen; de bouwhoogteniet meer dan 80% van de bouwhoogtevan het hoofdgebouw mag bedragen, met dien verstandedat de bouwhoogte in ieder geval maximaal 6 meter mag bedragen, ongeacht de bouwhoogte van het hoofdgebouw; een bijgebouw moet zijn voorzien van kap, waarvan de dakhelling niet minder dan 30°en niet meer dan 60° mag bedragen; In aanvullingop het bepaalde onder sub a tot en met sub e is de bestaande maatvoering toegestaan, met uitzondering van op het tijdstip van inwerking treden van het plan bestaande maatvoering die is gebouwd zonder vergunningen in strijd is met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Wanneer dit bestaande bijgebouw wordt gesloopt is voor de bebouwing het bepaalde onder sub a tot en met sub e van toepassing, met uitzondering van de oppervlakte. Hiervoor geldt dat de bestaande overschrijding van het aantal vierkante meters aan aan- en bijgebouwen terug mag worden gebouwd,tot een maximum van 500 m2 aan aan- en bijgebouwen. Hierbij zijn de m2 die bij recht zijn toegestaan inbegrepen. 7.2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen, niet meer dan 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat voor erf- of perceelsafscheidingen geldt dat de hoogte: maximaal1 meter mag bedragen; of maximaal 2 meter mag bedragen,mits meer dan 1 meter achter het verlengdevan de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd. 7.2.2 Bebouwing ten dienste van recreatiewoning Voorzover de grondenop de verbeelding zijn aangeduid met 'recreatiewoning' gelden de volgende bepalingen: het bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal100 m2 (inclusief aanbouwenen bijgebouwen) dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is; de perceelsoppervlakte per recreatiewoning bedraagt ten mintse 300 m2; gebouwd dient te worden in één bouwlag met of zonder kap met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 m en 6,5 m, dan wel de bestaande goot hoogteen bouwhoogte indien deze meer bedragen; de afstand tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 m. 7.2.3 Bebouwing ten dienste van overige doeleinden Voor het doel 'verkeer' is het bouwen beperkttot bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 12 m. 7.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan: de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, nokrichting en dakvorm en afmeting van gebouwen; de situeringvan woningen en aanbouwen en bijgebouwen; de situeringvan gebouwen en bouwwerken bij agrarische bedrijven in die zin dat wordt gestreefd naar een geconcentreerde vorm van bebouwingbinnen een bouwvlak; de verhouding tussen de oppervlakte van het hoofdgebouw en de aanbouwen en bijgebouwen. 7.4 Afwijken bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van: 1. verbouw van een bestaande woning met bijgebouwen tot buitenplaats met een minimum oppervlakte van 300 m² en een maximum oppervlakte van 600 m², mits: het gelegen is op de gronden aangeduidmet 'landschapsbouw'; sprake is van (de aanplant van) minimaal1 ha bos; de woning op een hoek of een overgang in het landschapsbeeld staat, dan wel de beëindiging van een zichtlijn vormt of een soortgelijke prominenteplaats; door de situering,afmetingen, kleurstelling en bouwstijl van de gebouwen het karakter als buitenplaats wordt verkregen; het erf van voldoende omvang is (ten minste 1.500 m²). 2. het afwijken van de bestaande verschijningsvorm bij her- en/of verbouw van een bestaand hoofdgebouw, uitsluitend voorzover het pand op de verbeelding is aangeduid met 'woning' of 'dubbele woning', mits: bestaande verschijningsvorm stedenbouwkundig gezien niet de meest gewenste is; indien van toepassingbij het wijzigen van de verschijningsvorm rekening wordt gehouden met de ter plaatse geldendeuitgangspunten zoals deze in de nota ruimtelijke kwaliteit zijn vastgelegd; De onder a bedoelde afwijking mag: 1. geen onevenredige afbreuk doen aan de in 7.1 omschreven waarden; 2. geen onevenredig negatieve invloed hebben op het milieu,de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater; 3. geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van andere gronden en gebouwen Voorzover de afwijking onder a gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceel of bouwblok en op de verbeelding zijn aangeduid als 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van zeer hoge archeologische waarde', wordt de afwijking niet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijkingbetrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de verbeelding met 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van zeer hoge archeologische waarde' aangeduidegebieden. 7.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdigmet deze bestemming zoals bedoeld in 7.1 jo artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend: 1. het gebruik van vrijstaandebijgebouwen voor bewoning met uitzondering van mantelzorg; 2. het gebruik van de gronden voor een paardenbak, met uitzondering van alle soorten agrarische bedrijven en niet agarischebedrijven categorie B1; 3. het gebruik van recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen ten behoeve van permanente bewoning; 4. het gebruik van kampeermiddelen ten behoeve van bewoning. Gebruik van ruimten binnen de (bedrijfs)woning of in de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met bijbehorende bijgebouwen mag, indien dat niet meer dan 75 m² betreft, worden gebruikt voor aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; 2. de activiteitdient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de woonomgeving; 3. de activiteit mag niet vergunningplichtig danwel meldingsplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn; 4. er mag geen detailhandel ter plaatse plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit van de aan-huis-verbonden activiteit of e-commerce; 5. ten behoeve van e-commerce is geen showroomaanwezig. 7.6 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.5 indien strikte toepassingvan dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringenderedenen wordt gerechtvaardigd; Burgemeester en wethouderskunnen ten behoeve van het gebruik van gronden voor een paardenbak bij omgevingsvergunnning afwijken van de regels, met dien verstande dat: 1. de afwijkingalleen betrekking heeft op de aanduiding wonen; 2. de afstand tot het erf niet meer dan 30 m bedraagt; 3. de afstand tussen de paardenbaken een bestaande woning van derden ten minste 15 m bedraagt; 4. de oppervlakte van de paardenbak niet meer dan 800 m² bedraagt; 5. een open omheining wordt toegepast met een maximalehoogte van 2 m 6. de paardenbakniet is voorzien van bestrating of andere verharding; 7. de hoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 3,5 m met dien verstande dat de lampen moeten worden voorzien van een afschermende kap, waardoor de lichtbundel uitsluitend is gericht op de paardenbakzodat de omgeving gevrijwaardblijft van lichthinder; 8. een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van evenementenbij omgevingsvergunning afwijkenvan de regels;. Voorzoverde afwijking onder a gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceelof bouwblok en op de verbeelding zijn aangeduidals 'terrein van archeologische betekenis' of 'terreinvan zeer hoge archeologische waarde', wordt de afwijking niet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijkingbetrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de verbeeldingmet 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van zeer hoge archeologische waarde' aangeduide gebieden. De onder b en c genoemdeafwijking mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in 7.1 omschrevenwaarden. 7.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijkingvan een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggenvan dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het aanbrengen van lijnvormige beplantingen; 4. het kappen van bos, voorzover op de verbeelding aangeduid als 'bestaand bos'; 5. het aanplanten van bos; 6. het dempen van wijken en sloten; 7. het aanbrengen van drainage en/of een greppelsysteem, het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieonderzoek), het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen voorzover het betreft de gronden die zijn aangeduid met 'hydrologisch aandachtsgebied'. 8. egaliseren. De sub a bedoelde vergunning is niet vereist indien: 1. werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud tot doel hebben; 2. de sub a, onder 3, 4 en 5 bedoelde vergunningis niet vereist indien sprake is van erfbeplanting. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z'n geheel in de beoordeling betrokken. De sub a bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in 7.1 omschreven waarden. Indien de aanlegvergunning gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de aanlegvergunning voorgelegd aan het betreffende waterschap met hetverzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies. Voorzoverde aanlegvergunning onder a gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceel of bouwblok en op de verbeelding zijn aangegevenmet 'terrein van archeologische betekenis' of 'terreinvan zeer hoge archeologische waarde' wordt de aanlegvergunning niet eerder verleend dan nadat advies is ingewonnenbij de provinciaal archeoloog. Dit advies zal tevens worden ingewonnen indien de aanlegvergunning betrekking heeft op gronden binnen een strook van 50m rond het gebied op de verbeelding zijn aangeduidmet 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van zeer hoge archeologische waarde'. Voorzover de sub a, onder 7 bedoelde vergunningbetrekking heeft op gronden welke op de verbeelding zijn aangeduid met 'hydrologische aandachtsgebied' en tevens op de verbeelding zijn voorzien van de aanduiding 'bestaand bos', zal het verzoek om aanlegvergunning mede worden afgewogen op basis van de gevolgen voor het omliggende agrarische gebied. De sub a onder 5 bedoelde vergunning wordt niet eerder verleend dan nadat advies is ingewonnen bij de provincie Drenthe.

Rechtspraak bij dit artikel