Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Agrarisch - 4

Onderdeel van BEHEERSVERORDENING Buitengebied Noord Hoogeveen, 2017

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch-4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden; en voor de volgendesociaal-economische doeleinden: uitoefening van het agrarisch bedrijf; bosbouw; wonen, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangegeven met 'woning'; bestaand bos, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangegeven met 'bestaand bos'; niet-agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover de gronden op de verbeelding zijn aangegeven met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2'; verkeer, uitsluitendvoorzover het de bestaande wegen betreft; water en waterhuishoudkundige voorzieninge ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken. 6.1.1 Nadere uitwerking bestemmingsomschrijving In het doel 'behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden' is het aanbrengen van landschapselementen groter dan 1 ha niet begrepen. Het doel 'niet-agrarische bedrijven' is beperkt tot de op het moment dat de beheersverordening is vastgesteld aanwezigebedrijfsuitoefening en voor nijverheidsbedrijven of ambachtelijke of dienstverlenende bedrijven (waaronder opslag begrepen)genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijven dan wel hiermee wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven. Bij de beoordeling of sprake is van een bedrijf dat wat betreft het leefklimaat vergelijkbaar is met de bedrijvengenoemd in de categorieën 1 en 2, ligt de nadruk op de aspectengeluid, lucht, water, bodem en verkeer. In het doel 'Ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken' geldt dat nieuwe ontsluitingsvoorziening alleen zijn toegestaan, voor zover de overige doeleinden uit de bestemming niet in hun doelmatig gebruiken/of hun functie worden beperkt. In het doel 'uitoefening van het agrarischbedrijf' is het kweken van laan- en parkbomen en boomfruit niet begrepen. De doeleinden ten aanzien van het behoud en herstelvan landschappelijke en natuurlijke waarden worden nagestreefd door middel van behoud en/of herstel van de volgende essentiële ruimtelijke randvoorwaarden: - reliëf; - onregelmatige blokverkaveling; - bebouwing veelal langs wegen; - verspreid voorkomende bospercelen en -singels; - potentieel archeologisch waardevol; - bebouwing in één bouwlaag met kap. Het doel 'dagrecreatie' is beperkt tot de inrichtingen het gebruik van de bestaande dagrecreatieve terreinenen van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen. Het doel 'bosbouw' is beperkt tot bestaand bos of bosstroken. Van de in de bestemmingbegrepen wegen mag het aantal rijstroken ten hoogste twee bedragen. 6.1.2 Onderlinge verhoudingen Ondergeschikte doeleinden Alle overige doeleinden zijn ondergeschikt aan de doeleinden 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' en 'behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden'. Bovengeschikte doeleinden De doeleinden 'uitoefening van het agrarischbedrijf' en 'behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden' zijn bovengeschikt aan de overigedoeleinden. Nevengeschikte doeleinden Voorzover de onderlinge verhouding niet is aangemerkt als ondergeschikt of bovengeschikt zijn de doeleinden nevengeschikt aan elkaar. Voorzover activiteiten slechts toelaatbaar zijn op grond van een afwijking of aanlegvergunning zal voorzoverhet betreft het behoud en/of herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden de onderlinge verhouding worden bepaald ten opzichte van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de in 6.1 genoemde kenmerken en kwaliteiten. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Bebouwing ten dienste van wonen 6.2.2.1 Bouwregels hoofdgebouw Ten behoeve van wonen is per met 'woning' aangeduid gebied ten hoogste één woning toegestaan; Per met 'dubbele woning' aangeduid gebied zijn ten hoogste twee woningen toegestaan, uitsluitend in de vorm van twee-aaneen-gebouwde woningen dan wel in de vorm van twee wooneenheden in een voormalig agrarisch bedrijf; De goothoogte bedraagt voor ten minste 65 % van de lengte maximaal 3,5 m en voor het resterende gedeelte ten hoogste 4,5 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; Het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap, waarvan de helling minimaal 30° en maximaal 60° dient te bedragen; Bij verbouw dient te worden aangesloten bij de bestaandeverschijningsvorm; De  oppervlakte  van het  hoofdgebouw bedraagt  ten  hoogste 200 m², dan wel  de  bestaande oppervlakte indien deze groter is. 6.2.2.2. Bouwregels bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen, waaronder begrepen aan- en uitbouwen, de volgende bepalingen gelden: De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en bijgebouwen per hoofdgebouw bedragen maximaal: 1. 150 m2 bij een erf met een oppervlakte tot 1.500m2; 2. 175 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 1.500 m2 tot 2.000 m2; 3. 200 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 2.000m2 en groter; met dien verstande dat: ten hoogste 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf mag worden bebouwd; de afstand tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen maximaal 30 meter mag bedragen; de bouwhoogteniet meer dan 80% van de bouwhoogtevan het hoofdgebouw mag bedragen, met dien verstandedat de bouwhoogte in ieder geval maximaal 6 meter mag bedragen, ongeacht de bouwhoogte van het hoofdgebouw; een bijgebouw moet zijn voorzien van kap, waarvan de dakhelling niet minder dan 30°en niet meer dan 60° mag bedragen; In aanvullingop het bepaalde onder sub a tot en met sub e is de bestaande maatvoering toegestaan, met uitzondering van op het tijdstip van inwerking treden van het plan bestaande maatvoering die is gebouwd zonder vergunningen in strijd is met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Wanneer dit bestaande bijgebouw wordt gesloopt is voor de bebouwinghet bepaalde onder sub a tot en met sub e van toepassing, met uitzondering van de oppervlakte. Hiervoor geldt dat de bestaande overschrijding van het aantal vierkante meters aan aan- en bijgebouwen terug mag worden gebouwd,tot een maximum van 500 m2 aan aan- en bijgebouwen. Hierbij zijn de m2 die bij recht zijn toegestaan inbegrepen. 6.2.2.3. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte vanbouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat voor erf- of perceelsafscheidingen geldt dat de hoogte: maximaal1 meter mag bedragen; of maximaal 2 meter mag bedragen,mits meer dan 1 meter achter het verlengdevan de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd. 6.2.2 Bebouwing ten dienste van niet-agrarische bedrijven Ten behoeve van de betreffende bedrijven op de verbeelding aangegeven met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2' mag de oppervlakte van de bestaandegebouwen met maximaal10% worden vergroot; De goot- en bouwhoogtevan de gebouwen mogen maximaal 4,5 m respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen, indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; Per op de verbeelding met 'bedrijven, categorie B1' aangegeven bedrijf is de bouw van maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Voor het overige is de bouw van bedrijfswoningen,met uitzondering van de bestaande bedrijfswoningen, niet toegestaan; Wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 6.2.1; De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen. 6.2.3 Bebouwing ten dienste van overige doeleinden Voor het doel 'verkeer' is het bouwen beperkt tot bouwwerken, geen gebouwenzijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 12 m; Voor de overige doeleindenis het bouwen beperkt tot bouwwerken, geen gebouwenzijnde, tot een bouwhoogtevan maximaal 3 m. 6.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan: de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, nokrichting en dakvorm en afmeting van de gebouwen; de situeringvan woningen en aanbouwen en bijgebouwen; de verhouding tussen de oppervlakte van het hoofdgebouw en de aanbouwen en bijgebouwen. 6.4 Afwijken bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van: 1. uitbreiding van bebouwingten dienste van niet-agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover deze op de verbeelding zijn aangeduidmet 'bedrijven, categorie B1', mits de oppervlakte met niet meer dan 25% wordt vergroot; een uitbreiding met meer dan 25% is mogelijk na een vooraf verkregen schriftelijke akkoordverklaring van Gedeputeerde Staten en als de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond; 2. het afwijken van de bestaande verschijningsvorm bij her- en/of verbouw van een bestaand hoofdgebouw, uitsluitend voorzover het pand op de verbeelding is aangeduid met 'woning', mits: de bestaande verschijningsvorm stedenbouwkundig gezien niet de meest gewenste is; indien van toepassingbij het wijzigen van de verschijningsvorm rekening wordt gehouden met de ter plaatse geldendeuitgangspunten zoals deze in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit zijn vastgelegd. De onder a bedoelde afwijking mag: 1. geen onevenredige afbreuk doen aan de in 6.1 omschreven waarden; 2. geen onevenredig negatieve invloed hebben op het milieu,de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater; 3. geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelings-mogelijkheden van andere gronden en gebouwen. 6.5 Specifieke gebruiksregels a. Tot een gebruik, strijdigmet deze bestemming zoals bedoeld in 6.1 jo artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend: 1. het gebruik van vrijstaandebijgebouwen voor bewoning met uitzondering van mantelzorg; 2. het gebruik van de gronden voor een paardenbak, met uitzondering van alle soorten agrarische bedrijven en niet agarischebedrijven categorie B1; 3. het gebruik van recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen ten behoeve van permanente bewoning; 4. het gebruik van kampeermiddelen ten behoeve van bewoning. b. Gebruik van ruimten binnen de (bedrijfs)woning of in de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met bijbehorende bijgebouwen mag, indien dat niet meer dan 75 m² betreft, worden gebruikt voor aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; 2. de activiteitdient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de woonomgeving; 3. de activiteit mag niet vergunningplichtig danwel meldingsplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn; 4. er mag geen detailhandel ter plaatse plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit van de aan-huis-verbonden activiteit of e-commerce; 5. ten behoeve van e-commerce is geen showroomaanwezig. 6.6 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouderskunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.5 indien strikte toepassingvan dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringenderedenen wordt gerechtvaardigd; Burgemeester en wethouderskunnen ten behoeve van het gebruik van gronden voor een paardenbak bij omgevingsvergunnning afwijken van de regels, met dien verstande dat: 1. de afwijkingalleen betrekking heeft op de aanduiding wonen; 2. de afstand tot het erf niet meer dan 30 m bedraagt; 3. de afstand tussen de paardenbaken een bestaande woning van derden ten minste 15 m bedraagt; 4. de oppervlakte van de paardenbak niet meer dan 800 m² bedraagt; 5. een open omheining wordt toegepast met een maximalehoogte van 2 m; 6. de paardenbakniet is voorzien van bestrating of andere verharding; 7. de hoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 3,5 m met dien verstande dat de lampen moeten worden voorzien van een afschermende kap, waardoor de lichtbundel uitsluitend is gericht op de paardenbakzodat de omgeving gevrijwaardblijft van lichthinder; 8. een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd. Burgemeester en wethouderskunnen ten behoeve van evenementenbij omgevingsvergunning afwijken van de regels; Voorzover de onder b en c genoemde afwijking gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30cm en betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceel of bouwblok en op de verbeeldingzijn aangeduid met 'terreinvan archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde', wordt de afwijkingniet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijking betrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de verbeelding met 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde' aangeduide gebieden. De onder b en c genoemdeafwijking mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in 6.1 omschreven waarden. 6.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggenvan dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het aanbrengen van lijnvormige beplantingen; 4. egaliseren. De sub a bedoelde vergunning is niet vereist indien: 1. werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud tot doel hebben; 2. de sub a, onder 3 bedoelde vergunning is niet vereist indien sprake is van erfbeplanting. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z'n geheel in de beoordeling betrokken. De sub a bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in 6.1 omschreven waarden. Indien de aanlegvergunning gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de aanlegvergunning voorgelegd aan het betreffende waterschap met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies. Voorzover de de aanlegvergunning onder a gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceel of bouwblok en op de verbeeldingzijn aangeduid met 'terreinvan archeologische betekenis' of 'terrein' van hoge archeologische waarde', wordt de afwijkingniet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijking betrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de verbeelding met 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde' aangeduide gebieden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel