Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Agrarisch I

Onderdeel van Buitengebied Zuid Hoogeveen 2018

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'AgrarischI' aangewezen gronden zijn bestemd voor: behoud en herstel van de landschappelijke waarden; en voor de volgendesociaal-economische doeleinden: behoud van de natuurlijke waarden; uitoefening van het agrarischbedrijf; bosbouw, met uitzondering van de gronden aangeduid met 'open gebied'; dagrecreatie; wonen, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduidmet 'woning' of 'dubbele woning'; tuincentrum, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduidmet 'tuincentrum'; niet-agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2'; maatschappelijke doeleinden, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'maatschappelijke doeleinden'; sportterrein, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangegeven met 'sportterrein'; verkeer, uitsluitendvoorzover het de bestaande wegen betreft; straalpad, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'straalpad'; bestaand bos, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangegeven met 'bestaand bos'; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken; straalpad, uitsluitendvoorzover de gronden zijn aangeduid met 'straalpad. 3.1.1 Nadereuitwerking bestemmingsomschrijving In het doel 'behoud en herstel van de landschappelijke waarden' is het aanbrengen van landschapselementen groter dan 1 ha niet begrepen; In het doel 'uitoefening van het agrarischbedrijf' is het kweken van laan- en parkbomen en boomfruitteelt niet begrepen indien de gronden zijn aangeduid met 'open gebied'; In het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' is het vergisten van mest/organische bijproducten begrepen tot een doorzet van maximaal 100 ton per etmaal; Mestopslagplaatsen, toren- en sleufsilo's, buiten het in 3.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak, zijn niet in het doel 'uitoefening vanhet agrarisch bedrijf' begrepen; In het doel tuincentrum is detailhandel in speelmaterialen, erfafscheidingsproducten, tuinhuisjes, bestratingsmaterialen et cetera begrepen. Het doel 'bosbouw'is beperkt tot bestaand bos, bestaande bosstroken en voor de aanleg van bos en bosstroken. De aanleg van bos en bosstrokenis niet toegestaan voorzover de gronden zijn aangeduidmet 'open gebied'. Het doel 'niet-agrarische bedrijven' is beperkt tot de, op het moment dat de beheerverordening is vastgesteld, aanwezige bedrijfsuitoefening en voor nijverheidsbedrijven of ambachtelijke of dienstverlenende bedrijven(waaronder opslag begrepen) genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijvendan wel hiermee wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven. Bij de beoordeling of sprake is van een bedrijf dat wat betreft het leefklimaat vergelijkbaar is met de bedrijvengenoemd in de categorieën 1 en 2, ligt de nadruk op de aspecten geluid, lucht, water, bodem en verkeer. In het doel 'Ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken' geldt dat nieuwe ontsluitingsvoorziening alleen zijn toegestaan, voor zover de overige doeleinden uit de bestemmingniet in hun doelmatig gebruiken/of hun functie worden beperkt. De doeleinden ten aanzien van het behoud en herstelvan de landschappelijke waarden en behoud van de natuurlijke waarden worden nagestreefd door middel van behoud en/of herstel van de volgendeessentiële ruimtelijke randvoorwaarden: - grootschalig gebied; - verwevenheid tussen bosstrokenen openheidrond Nieuwlande; - geomorfologisch waardevolle dobbe in vierkante blokken; - cultuurhistorisch waardevolle wijken; - lintbebouwing en verspreide bebouwing; - terrein van archeologische betekenis ten zuiden van Hollandscheveld; - bebouwing met één bouwlaag met kap; - rond Elim veel bosjes en houtwallen; - bodemgradiënten. Het doel 'dagrecreatie' is beperkt tot de inrichtingen het gebruik van de bestaande dagrecreatieve terreinenen van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen; Van de in de bestemmingbegrepen wegen mag het aantal rijstroken ten hoogste twee bedragen. 3.1.2 Onderlinge verhoudingen Ondergeschikte doeleinden Alle overige doeleinden zijn ondergeschikt aan het doel 'uitoefening van het agrarischbedrijf'. Bovengeschikte doeleinden Het doel 'uitoefening vanhet agrarisch bedrijf' is bovengeschikt aan de overigedoeleinden. Nevengeschikte doeleinden Voorzover de onderlinge verhouding niet is aangemerkt als ondergeschikt of bovengeschikt zijnde doeleinden nevengeschikt aan elkaar. Voorzover activiteiten slechts toelaatbaar zijn op grond van een afwijking of aanlegvergunning zal voorzoverhet betreft het behoud en/of herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden de onderlinge verhouding worden bepaald ten opzichte van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de in 3.1 genoemde kenmerken en kwaliteiten. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Bebouwing ten dienste van de bedrijfsmatigeuitoefening van het agrarisch bedrijf de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing is toegestaan, ter plaatse van de aanduiding'agrarisch bedrijf', mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha. Voorzover de gronden zijn aangegeven met "bouwperceel 2 ha"bedraagt de oppervlakte van het bouwperceel maximaal 2 ha. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing is toegestaan, waarbij een intensieve tak is uitgesloten, ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden agrarisch bedrijf', mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha. Voorzover de gronden zijn aangegevenmet "bouwperceel 2 ha" bedraagt de oppervlakte van het bouwperceel maximaal 2 ha. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak met bijbehorende bebouwing is toegestaan, ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden agrarisch bedrijf met intensievetak', mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha. Voorzover de gronden zijn aangegeven met "bouwperceel 2 ha" bedraagt de oppervlakte van het bouwperceelmaximaal 2 ha. 3.2.1.1 Bedrijfsgebouwen De oppervlakte van gebouwen ten behoeve van fokkerijen,mesterijen en/of pluimvee mag per bedrijf aangeduid met 'grondgebonden agrarisch bedrijf' ten hoogste 250 m² dan wel ten hoogste de bestaandeoppervlakte bedragen indien deze meer bedraagt. onder bedrijfsgebouwen zijn kassen toegestaan met een bouwhoogte van meer dan 1,2 m tot een oppervlakte van 1000m2. Van gebouwenmag de goot- en bouwhoogte ten hoogste 4,5 m, respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen. De bouwhoogtevan kassen bedraagt ten hoogste 8 m. De afstand tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 m. In afwijkinghiervan mag op de gronden aangeduid met 'straalpad' de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan de op de verbeeldingaangegeven hoogte. 3.2.1.2 Bedrijfswoningen Per bedrijf is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstandedat twee bedrijfswoningen zijn toegestaan voorzover de gronden zijn aangeduid met 'tweede bedrijfswoning'. Wat betreft de regels van dienstwoningen gelden de bepalingenzoals opgenomen in 3.2.2; 3.2.1.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 12 m bedragenbinnen het genoemdeaaneengesloten oppervlak van 1,5 ha of 2 ha; Buiten het genoemde aaneengesloten oppervlak van 1,5 ha of 2 ha: is de bouw van kassen alleen toegestaan op de gronden aangeduid met "lage kassen toegestaan"en tot een bouwhoogte van 1,2 m; is de bouw van overkappingen niet toegestaan; mogen uitsluitend andere bouwwerken, niet zijnde overkappingen en mest- en sleufsilo's, worden gebouwd tot een maximalebouwhoogte van 3 m. 3.2.1.4 Overige bepalingen De bebouwing dient per bedrijf te worden geconcentreerd binnen een denkbeeldige vierhoek. De uitbreidingsrichting dient aan te sluiten bij het aanwezige bebouwingspatroon, waarbij tevens rekening dient teworden gehouden met het uitzicht van woningen. 3.2.2 Bebouwing ten dienste van wonen 3.2.2.1 Bouwregels hoofdgebouw Ten behoeve van wonen is per met 'woning' aangeduid gebied ten hoogste één woning toegestaan; per met 'dubbele woning' aangeduid gebied zijn ten hoogste twee woningen toegestaan,uitsluitend in de vorm van twee-aaneen-gebouwde woningen dan wel in de vorm van twee wooneenheden in een voormalig agrarisch bedrijf; bij nieuwbouw dient het hoofdgebouw binnen 30 meter van de aanduiding 'woning' of 'dubbele woning' te worden gebouwd; de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m en de bouwhoogte maximaal 10 m, dan wel ten hoogste de bestaandegoot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen; de afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap, waarvan de helling minimaal 30° en maximaal 60° dient te bedragen; bij verbouw dient te worden aangesloten bij de bestaandeverschijningsvorm; de  oppervlakte  van het  hoofdgebouw bedraagt  ten  hoogste 200 m², dan wel  de  bestaande oppervlakte indien deze groter is; In afwijking hiervan mag op de gronden aangeduid met 'straalpad' de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan de op de verbeeldingaangegeven hoogte. 3.2.2.2 Bouwregels bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen, waaronder begrepen aan- en uitbouwen, de volgende bepalingen gelden: De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en bijgebouwen per hoofdgebouw bedragen maximaal: 1. 150 m2 bij een erf met een oppervlakte tot 1.500m2; 2. 175 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 1.500m2 tot 2.000 m2; 3. 200 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 2.000m2 en groter; met dien verstande dat: ten hoogste 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf mag worden bebouwd; de afstand tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen mag maximaal 30 meter bedragen; de bouwhoogteniet meer dan 80% van de bouwhoogtevan het hoofdgebouw mag bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte in ieder geval 6 meter mag bedragen, ongeachtde bouwhoogte van het hoofdgebouw; de goothoogtebedraagt maximaal 3 m, dan wel de bestaandegoothoogte; aanbouwen en aangebouwdebijgebouwen mogen tot maximaal 100% van de oppervlakte van het hoofdgbouw plat worden afgedekt, indien de oppervlakte van aanbouwenen aangebouwde bijgebouwenmeer dan 100% van de oppervlakte van het hoofdgbouw bedraagt moeten deze voorzien zijn van een kap, waarvan de dakhelling niet minder dan 30°en niet meer dan 60° mag bedragen; een vrijstaande bijgebouw moet zijn voorzien van kap, waarvan de dakhelling niet minder dan 30° en niet meer dan 60° mag bedragen; In aanvullingop het bepaalde onder sub a tot en met sub g is de bestaandemaatvoering toegestaan, met uitzondering van op het tijdstip van inwerking treden van het plan bestaande maatvoering die is gebouwd zonder vergunningen in strijd is met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Wanneer dit bestaande bijgebouw wordt gesloopt is voor de bebouwinghet bepaalde onder sub a tot en met sub g van toepassing, met uitzondering van de oppervlakte. Hiervoor geldt dat de bestaande overschrijding van het aantal vierkantemeters aan aan- en bijgebouwen terug mag worden gebouwd,tot een maximum van 500 m2 aan aan- en bijgebouwen. Hierbij zijn de m2'sdie bij recht zijn toegestaan inbegrepen; In afwijkinghiervan mag op de gronden aangeduid met 'straalpad' de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan de op de verbeeldingaangegeven hoogte. 3.2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen, niet meer dan 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat voor erf- of perceelsafscheidingen geldt dat de hoogte: maximaal1 meter mag bedragen; of maximaal 2 meter mag bedragen,mits meer dan 1 meter achter het verlengdevan de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd. 3.2.3 Bebouwing ten dienste van niet-agrarische bedrijven ten behoeve van de betreffende bedrijven op de verbeelding aangeduid met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2' mag de oppervlakte van de bestaandegebouwen met maximaal10% worden vergroot; de goot- en bouwhoogtevan de gebouwen mogen maximaal 4,5 m respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaandegoot- en bouwhoogte bedragen, indien deze meer bedragen; de afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; per op de verbeelding met 'bedrijven, categorie B1' aangeduid bedrijf is de bouw van maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Voor het overige is de bouw van bedrijfswoningen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoningen, niet toegestaan; wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 3.2.2; de bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen; In afwijking hiervan mag op de gronden aangeduid met 'straalpad' de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan de op de verbeeldingaangegeven hoogte. 3.2.4 Bebouwing ten dienste van tuincentrum gebouwd dient te worden binnen het bouwvlak; de  goot- en  bouwhoogte van gebouwen mogen  maximaal 3,5  m respectievelijk 8  m,  dan wel ten hoogste de bestaandegoot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen; de afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; bedrijfswoningen (met uitzondering van de bestaande) zijn niet toegestaan. wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 3.2.2; de hoogte van bouwwerkengeen gebouwen zijnde mag ten hoogste 3 m bedragen.; In afwijking hiervan mag op de gronden aangeduid met 'straalpad' de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan de op de verbeeldingaangegeven hoogte. 3.2.5 Bebouwing ten dienste van sportterrein Voorzover de grondenzijn aangeduid met 'sportterrein' gelden de volgende bepalingen: maximaal4% van de oppervlakte mag worden bebouwd ten behoeve van beheersgebouwen en kleed- en wasruimtes; de bouwhoogtevan gebouwen mag maximaal 10 m bedragen,dan wel ten hoogste de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt; de bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag met uitzondering van verlichting, ballenvangers en tribunes,ten hoogste 3 m bedragen; per sportvereniging is ten hoogste 1 lichtkranttoegestaan met een hoogte van 3 m, een breedte van 1,5 m en een dikte van 0,5 m; In afwijkinghiervan mag op de gronden aangeduidmet 'straalpad' de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan de op de verbeelding aangegeven hoogte. 3.2.6 Bebouwing ten dienste van maatschappelijkedoeleinden Voorzover de grondenzijn aangeduid met 'maatschappelijke doeleinden' gelden de volgende bepalingen: de oppervlakte van bestaande gebouwen mag met maximaal 10% worden vergroot; de goothoogte van gebouwen mag maximaal 3,5 m bedragen, dan wel ten hoogste de bestaande bouwhoogteindien deze meer bedraagt; de bouwhoogte van gebouwen mag maximaal 8 m bedragen, dan wel ten hoogste de bestaande bouwhoogteindien deze meer bedraagt; de afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; bedrijfswoningen (met uitzondering van bestaande bedrijfswoningen) zijn niet toegestaan; voor bestaandebedrijfswoningen gelden de de bepalingen zoals opgenomen in 3.2.2; de bouwhoogtevan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen; In afwijkinghiervan mag op de gronden aangeduid met 'straalpad' de hoogte van de bouwwerken niet meer bedragen dan de op de verbeeldingaangegeven hoogte. 3.2.7 Bebouwing ten dienste van agrarische loods Ten behoeve van het doel agrarische loods is het bouwen van bouwwerkenbeperkt tot één gebouw dan wel ten hoogste het bestaandeaantal gebouwen; De oppervlakte van de gebouwen bedraagt ten hoogste 250 m² dan wel de bestaande oppervlakte; De goot- en bouwhoogte van de gebouwen mag maximaal 4,5 m respectievelijk 12 m dan wel de bestaandegoot- en bouwhoogte bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m. 3.2.8 Straalpad In afwijkingvan het vorenstaande mag op degronden aangegeven met 'straalpad 44' de hoogte van de bouwwerken niet meer dan 44 meter bedragen en op degronden aangegeven met 'straalpad 45' de hoogte van de bouwwerken niet meer dan 45 meter bedragen. 3.2.9 Bebouwing ten dienste van overige doeleinden Voor het doel 'verkeer' is het bouwen beperkt tot bouwwerken, geen gebouwenzijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 12 m; voor de overige doeleindenis het bouwen beperkt tot bouwwerken, geen gebouwenzijnde, tot een bouwhoogtevan maximaal 3 m. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan: de plaats van de bebouwingten behoeve van agrarischebedrijven in die zin dat: 1. dient te worden gebouwd binnen een denkbeeldige rechthoek; 2. de maximalebreedte langs de weg ten hoogste 100 m en de maximale diepte ten hoogste 150 m mag bedragen; de goothoogte, bouwhoogte, dakhelling, nokrichting en dakvorm en afmeting van de gebouwen; de situeringvan woningen en aanbouwen en bijgebouwen; de situeringvan gebouwen en bouwwerken bij agrarische bedrijven in die zin dat wordt gestreefd naar een geconcentreerde vorm van bebouwingbinnen een bouwvlak; de verhouding tussen de oppervlakte van het hoofdgebouw en de aanbouwen en bijgebouwen. 3.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van: 1. van het bepaaldein 3.2.1.2 en de bouw van een tweede bedrijfswoning toestaan bij een agrarisch bedrijf, mits wordt gebouwd binnen het in 3.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak, mits: de noodzaakvan de tweede bedrijfswoning is aangetoond voor de bedrijfsvoering van het agrarischbedrijf; de levensvatbaarheid van het agrarisch bedrijf is aangetoond. 2. van het bepaaldein 3.2.1 en een vergroting van het oppervlak ten behoeve van fokkerijen,mesterijen en/of pluimveetoestaan, bij de met 'grondgebonden agrarisch bedrijf' aangeduide bedrijven,indien dit noodzakelijk is op basis van wettelijke regels op het gebied van dierenwelzijn en gezondheid, mits wordt gebouwd binnen het 3.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak; 3. van het bepaaldein 3.2.1 en een grotere goothoogte van agrarische bedrijfsgebouwen toestaan tot een goothoogtevan 5 m; 4. van het bepaaldein 3.2.3 een vergroting van bebouwing ten dienste van niet agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover deze op de verbeelding zijn aangeduidmet "bedrijven, categorieB1", tot maximaal25%; 5. van het bepaaldein 3.2.3 een vergroting van bebouwing ten dienste van niet agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover deze op de verbeelding zijn aangeduidmet "bedrijven, categorieB1", van meer dan 25%, mits: vooraf een verklaringvan geen bezwaar van Gedeputeerde Staten is verkregen de bedrijfseconomische noodzaakis aangetoond; 6. van het bepaaldein 3.1 de bouw van veestallen en schuilstallen op de gronden die zijn aangeduid met "hobbystallen en schuilstallen", mits: de goothoogtemaximaal 2,5 m bedraagt; er gebouwd wordt met één bouwlaag met kap; de oppervlakte bijbehorende cultuurgrond ten minste 1 ha bedraagt; de oppervlakte tot 2 ha bijbehorende cultuurgrond niet meer dan 25 m2 bedaagt en bij meer dan 2 ha niet meer dan 50 m2. 7. van het bepaaldein 3.2.1 en de bouw toestaan van een mestsilo buiten het in 3.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlaktot een inhoud van 2.500 m³ en met een bouwhoogte van ten hoogste 5 m (exclusief afdekking), met dien verstande dat deze afwijking niet van toepassingis voorzover de gronden zijn aangeduidmet 'open gebied', mits: onvoldoende fysieke ruimte binnen het bouwperceelaanwezig is of; vanwege milieuhygiënische knelpuntenrealisering op het bouwperceel ongewenst is of; bedrijfstechnische en verkeerstechnische overwegingen aanwezig zijn, waarom mestopslag op een veldkavel moet worden gerealiseerd. 8. van het bepaaldein 3.2.1. en de bouw toestaan van sleufsilo's buiten het in 3.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak tot een bouwhoogte van 3 m en tot een inhoud van maximaal 2.500 m³; 9. van het bepaaldein 3.2.2 en de verbouw toestaan van een bestaande woning met bijgebouwen tot buitenplaats met een minimum oppervlakte van 300 m² en een maximum oppervlakte van 600 m², mits: het gelegen is op de gronden aangeduidmet 'landschapsbouw'; sprake is van (de aanplant van) minimaal1 ha bos; de woning op een hoek of een overgang in het landschapsbeeld staat, dan wel de beëindiging van een zichtlijn vormt of een soortgelijke prominenteplaats; door de situering,afmetingen, kleurstelling en bouwstijl van de gebouwen het karakter als buitenplaats wordt verkregen; het erf van voldoende omvang is (ten minste 1.500 m²); 10. van het bepaalde in 3.2.2 en het afwijken van de bestaande verschijningsvorm toestaan bij her- en/of verbouw van een bestaand hoofdgebouw, uitsluitend voorzover het pand op de verbeelding is aangeduid met 'woning' of 'dubbele woning', mits: bestaande verschijningsvorm stedenbouwkundig gezien niet de meest gewenste is; indien van toepassingbij het wijzigen van de verschijningsvorm rekening wordt gehouden met de ter plaatse geldendeuitgangspunten zoals deze in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit zijn vastgelegd; De onder a bedoelde afwijking mag: 1. geen onevenredige afbreuk doen aan de in 3.1 omschreven waarden; 2. geen onevenredig negatieve invloed hebben op het milieu,de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater; 3. geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van andere gronden en gebouwen Voorzoverde afwijking onder a gepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cmen betrekking heeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceelof bouwblok en op de verbeelding zijn aangeduidals 'terrein van archeologische betekenis' of 'terreinvan hoge archeologische waarde', wordt de afwijking niet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijkingbetrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de verbeeldingmet 'terrein van archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde' aangeduide gebieden. 3.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdigmet deze bestemming zoals bedoeld in 3.1 jo artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend: 1. het gebruik van vrijstaandebijgebouwen voor bewoning met uitzondering van mantelzorg; 2. het gebruik van de gronden voor een paardenbak, met uitzondering van alle soorten agrarische bedrijven en niet agrarischebedrijven categorie B1; 3. het gebruik van recreatiewoningen en vaste kampeermiddelen ten behoeve van permanente bewoning; 4. het gebruik van kampeermiddelen ten behoeve van bewoning. Gebruik van ruimten binnen de (bedrijfs)woning of in de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met bijbehorende bijgebouwen mag, indien dat niet meer dan 75 m² betreft, worden gebruikt voor aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten; 2. de activiteitdient qua aard, omvang en uitstraling te passen in de woonomgeving; 3. de activiteit mag niet vergunningplichtig danwel meldingsplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn; 4. er mag geen detailhandel ter plaatse plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit van de aan-huis-verbonden activiteit of e-commerce; 5. ten behoeve van e-commerce is geen showroomaanwezig. 3.6 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouderskunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.5 indien strikte toepassingvan dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringenderedenen wordt gerechtvaardigd; Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken voor het aanbrengen van mestopslagplaatsen, welke niet als bouwwerk worden aangemerkt, tot een inhoud van 2.500 m³, buiten het in 3.2.1 genoemdeaaneengesloten oppervlak, mits: onvoldoende fysieke ruimte binnen het bouwperceelaanwezig is of; vanwege milieuhygiënische knelpuntenrealisering op het bouwperceel ongewenst is of; bedrijfstechnische en verkeerstechnische overwegingen aanwezig zijn, waarom mestopslag op een veldkavel moet worden gerealiseerd. Burgemeester en wethouderskunnen ten behoeve van het gebruik van gronden voor een paardenbak bij omgevingsvergunning afwijken van de regels, met dien verstande dat: 1. de afwijkingalleen betrekking heeft op de aanduiding 'woning' en 'dubbele woning'; 2. de afstand tot het erf niet meer dan 30 m bedraagt; 3. de afstand tussen de paardenbaken een bestaande woning van derden ten minste 15 m bedraagt; 4. de oppervlakte van de paardenbak niet meer dan 800 m² bedraagt; 5. een open omheining wordt toegepast met een maximalehoogte van 2 m; 6. de paardenbakniet is voorzien van bestrating of andere verharding; 7. de hoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 3,5 m met dien verstande dat de lampen moeten worden voorzien van een afschermende kap, waardoor de lichtbundel uitsluitend is gericht op de paardenbak, zodat de omgeving gevrijwaardblijft van lichthinder; 8. een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van evenementenbij omgevingsvergunning afwijken van de regels. Voorzover de onder b, c en d genoemde afwijkinggepaard gaat met bodemingrepen dieper dan 30 cm en betrekkingheeft op gronden welke zijn gelegen buiten het bouwperceelof bouwblok en op de verbeeldingzijn aangeduid met 'terreinvan archeologische betekenis' of 'terrein van hoge archeologische waarde', wordt de afwijking niet eerder verleend dan nadat uit archeologisch (voor)onderzoek is gebleken dat zich geen archeologische waarden bevinden in het gebied waarop de afwijking betrekking heeft. Het genoemde archeologisch (voor)onderzoek is tevens van toepassingop een strook van 50 m rond de plankaartmet 'terrein van archeologische betekenis' aangeduidegebieden. De onder b, c en d genoemdeafwijking mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in 3.1 omschreven waarden. 3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijkingvan een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen van beplantingen ten behoeve van de teelt van laan- en parkbomen en boomfruit, alsmede bos voorzoverde gronden niet zijn aangeduidmet 'open gebied' en/of 'Eerste Oosterveld'; 2. het aanleggenvan dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen. 3. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 4. het aanbrengen van lijnvormige beplantingen; 5. het aanbrengen van drainage en/of een greppelsysteem, het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratieonderzoek), het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen voorzover het gronden betreft die zijn aangeduid met 'hydrologisch aandachtsgebied'; 6. egaliseren. De sub a bedoelde vergunning is niet vereist indien: 1. werken en/of werkzaamheden betreft die het normale onderhoud tot doel hebben; 2. de sub a, onder 4 bedoelde vergunning is niet vereist indien sprake is van erfbeplanting; 3. de sub a, onder 1 bedoelde vergunning is niet vereist indien de aaneengesloten oppervlakte (inclusiefbestaand) voor dit doel minder dan 1 ha gaat bedragen. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z'n geheel in de beoordeling betrokken. De sub a bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 3.1 omschreven waarden. Indien de aanlegvergunning gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de aanlegvergunning voorgelegd aan het betreffende waterschap met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies. Voorzover de sub a, onder 5 bedoelde vergunning betrekking heeft op gronden die zijn aangeduid met 'hydrologische aandachtsgebied' en tevens op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding 'bestaand bos', zal het verzoek om aanlegvergunning mede worden afgewogen op basis van de gevolgen voor het omliggende agrarische gebied. De sub a, onder 1 bedoelde vergunning wordt, voorzover deze betrekking heeft op de aanplant van bos, niet eerder verleend dan nadat advies is ingewonnenbij de provincie Drenthe. De sub a, onder 1 bedoelde vergunning wordt niet verleend indien als gevolg van de bosaanplant omliggendeagrarische bedrijven in de (toekomstige) uitbreidingsmogelijkheden worden belemmerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel