Naar hoofdinhoud
1.. Bij verstrekking van bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de draagkracht van belanghebbende(n) per kalenderjaar. 2.. Bij aanvragen die worden ingediend na 1 oktober, wordt de draagkrachtperiode vastgesteld vanaf de maand waarin de aanvraag is ingediend tot en met 31 december van het daaropvolgende kalenderjaar. 3.. Bij de draagkrachtberekening wordt uitgegaan van inkomen inclusief vakantietoeslag. 4.. Voor de bepaling van het inkomen worden alle inkomsten van belanghebbende en diens partner bij elkaar geteld, voor zover die niet op grond van artikel 31 lid 2 van de wet buiten beschouwing worden gelaten. 5.. De draagkracht wordt als volgt berekend: 100% van het inkomen boven 110% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt in aanmerking genomen als draagkracht. 6.. Indien het vermogen van de aanvrager en diens partner hoger is dan het volgens artikel 34 van de wet toegestane bescheiden vermogen, wordt 100% van het vermogen boven de grens in aanmerking genomen als draagkracht. 7.. De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden voor de vaststelling van de draagkracht buiten beschouwing gelaten. 8.. Indien een belanghebbende een wettelijk of minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, dan geldt een afwijkende berekening van de draagkracht. De norm is het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB) plus een reservering voor schuldeisers volgens de aflostabel van de NVVK. Alle inkomsten boven dit bedrag wordt in aanmerking genomen als draagkracht. 9.. Het college hanteert geen drempelbedrag. 10.. In geval van deelname aan een pilot programma (leenbijstand voor kleine schulden) kan het college aanvullende toepassingscriteria opstellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel