Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.2

Inventariseren bestaande ondergrondse infrastructuur

Onderdeel van Beleidsregel Uitvoeringsvoorschriften ondergrondse infrastructuur gemeente Rheden 2014

De vergunninghouder dient zich te overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk gelegen leidingen. Naast de verplichtingen uit hoofde van de WION, die toeziet op schadepreventie, dient door vergunninghouder ook een onderzoek in het kader van het borgen van de ondergrondse ruimtelijke ordening te worden uitgevoerd. Dit dient te geschieden door het tijdig opvragen van de leidinggegevens en overige voorwaarden bij het Kadaster-sectie KLIC c.q. bij de betreffende kabel- en/of leidingbeheerders. Op het werk dient, naast een kopie van het vergunning c.q. goedgekeurde melding inclusief tekening(en), tenminste één exemplaar van de in lid 1 bedoelde tekening(en) aanwezig te zijn. De vergunningaanvrager dient zich te overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk gelegen leidingen. Hiertoe dienen in het beoogde tracé proefsleuven gegraven te worden, waarbij de vergunningaanvrager zich dient te houden aan de CROW-publicatie 250: “Richtlijn zorgvuldig graafproces” alsmede de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur Gemeente Rheden 2014 (AVOI), Uitvoeringsvoorschriften ondergrondse infrastructuur gemeente Rheden 2014- en WION-bepalingen. Van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels en leidingen houdt vergunninghouder een actuele registratie bij die op eerste aanzeggen van de coördinator of toezichthouder K&L wordt overhandigd. Indien afwijkingen van het vigerende standaardprofiel dan wel het door gemeente Rheden aangewezen tracé worden geconstateerd zal de vergunninghouder in overleg met de wegbeheerder een nieuw tracé uitzetten.

Rechtspraak bij dit artikel