Naar hoofdinhoud
Om te beoordelen of de jeugdige en/of zijn ouder(s) in staat zijn om het probleem zelf op te lossen, wordt er gekeken naar de vraag of er sprake is van gebruikelijke hulp of bovengebruikelijke hulp. Alleen als er sprake is van bovengebruikelijke hulp komt de jeugdige in aanmerking voor een individuele voorziening. Van ouders, stiefouders of andere huisgenoten wordt verwacht dat zij de jeugdige ondersteunen bij activiteiten die de jeugdige (nog) niet kan uitvoeren. De omvang en inhoud van deze gebruikelijk hulp is afhankelijk van de sociale relatie. De gebruikelijke hulp van een ouder aan een kind is met name afhankelijk van de leeftijd van het kind. Als ouders gescheiden zijn, kan er een verdeling gemaakt worden als het gaat om het verblijf van de kinderen, maar er kan ook een verdeling van taken gemaakt worden. Een scheiding ontslaat de ouders echter niet van de plicht om voor de kinderen te zorgen. Ouders zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind en het verlenen van de gebruikelijk hulp. Ook het aantal kinderen is een verantwoordelijkheid van de ouders. Het hebben van ‘veel’ kinderen en de zorg daarvoor is de verantwoordelijkheid van de ouders. Voor een jeugdige kan hulp en ondersteuning worden ingezet wanneer er sprake is van bovengebruikelijke hulp. Dit is aan de orde wanneer er sprake is van een beperking, waardoor de noodzakelijk hulp en ondersteuning – in vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel substantieel wordt overschreden. Wanneer de hulpvraag de gebruikelijke hulp overstijgt (en er dus sprake is van bovengebruikelijk hulp), kan een individuele voorziening worden ingezet. Voor het bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp wordt aangesloten bij de richtlijnen die zijn opgenomen in de CIZ Indicatiewijzer van juli 2014. De richtlijnen zijn opgenomen in bijlage 1.

Rechtspraak bij dit artikel