Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3.

Maatschappelijk nuttige activiteiten

Onderdeel van Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Almelo 2020

1. Het college verwacht van uitkeringsgerechtigden (op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ) dat zij maatschappelijk nuttige activiteiten verrichten. 2. Van de uitkeringsgerechtigde wordt in beginsel verwacht dat hij zelf invulling geeft aan deze maatschappelijk nuttige activiteiten en daarvoor met voorstellen komt. Indien nodig kan daarbij ondersteuning worden geboden. Het college beoordeelt deze voorstellen. 3. De maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen als volgt worden ingevuld: A: - het verrichten van vrijwilligerswerk; - het leveren van mantelzorg; - overige maatschappelijk nuttige werkzaamheden; B: - het volgen van taal- of beweegtraining; - het werken aan de oplossing van persoonlijke problemen met als doel het invulling kunnen geven aan één van de hiervoor genoemde vormen van maatschappelijk nuttige activiteiten. 4. Als een uitkeringsgerechtigde, naar het oordeel van het college geen of onvoldoende maatschappelijk nuttige activiteiten verricht, zoals bedoeld in het derde lid, dan kan het college zelf invulling aan een tegenprestatie geven. 5. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a) naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b) niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; en c) niet leiden tot verdringing.

Rechtspraak bij dit artikel