1. Een tegenprestatie kan in beginsel worden opgelegd als verplichting aan iedere uitkeringsgerechtigde jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.
2. Als de uitkeringsgerechtigde verzuimt binnen een gestelde termijn een voorstel voor de invulling van maatschappelijk nuttige activiteiten te doen, of als het voorstel niet voldoet, of als het college andere dan de voorgestelde werkzaamheden meer wenselijk vindt, dan kan het college zelf gericht activiteiten als tegenprestatie opleggen.
3. Het college geeft in een beschikking aan welke, al dan niet zelf aangedragen, activiteiten als tegenprestatie worden aangemerkt.
4. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:
a) de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende, in beginsel wordt dit getoetst aan de hand van de diagnose omtrent arbeidsre-integratie;
b) de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;
c) de persoonlijke kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen.
d) de al aanwezige inzet op maatschappelijk nuttige activiteiten overeenkomstig artikel 3 lid 3 van deze verordening.
Hoofdstuk 2
Artikel 4.
Het opdragen van een tegenprestatie
Onderdeel van Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Almelo 2020