Naar hoofdinhoud
Bij het instellen van een feitenonderzoek moet bij aanvang en uitvoering worden gecommunicerd waarbij de volgende lijn wordt gehanteerd: De direct leidinggevende van de betrokkene wordt door de verantwoordelijke of de functionaris integriteit (FI) op de hoogte gesteld van de melding en het feit dat er een feitenonderzoek wordt ingesteld naar een medewerker van hem/haar. In het kader van de zorgvuldigheid en het principe van hoor en wederhoor wordt de betrokkene tegen wie het onderzoek is gericht, zo snel mogelijk in kennis gesteld van het feit dat er een onderzoek is ingesteld naar zijn/haar handelingen, indien dit niet strijdig is met het onderzoeksbelang. Dit gebeurt uiterlijk op het moment waarop betrokkene uitgenodigd wordt voor een verantwoordingsgesprek (interview) in het kader van een feitenonderzoek. Het heeft de voorkeur dat de direct leidinggevende en de functionaris integriteit (FI) dit samen doen. In verband met vertrouwelijkheid ten aanzien van de identiteit van de melder wordt diens naam niet bekend gemaakt bij derden of de betrokkene ten aanzien van wie de melding is gedaan, tenzij deze hiervoor toestemming geeft. Ook de melding zelf wordt niet aan een betrokkene verstrekt, tenzij op grond van een wettelijke verplichting of als de melder hiervoor toestemming geeft. Betrokkene wordt in het bezit gesteld van een afschrift van zijn eigen gespreksverslag. Getuigen en derden worden desgewenst in het bezit gesteld van een afschrift van hun eigen gespreksverslag. In belang van het onderzoek kan dit afschrift op een later tijdstip ter beschikking worden gesteld. Gedurende het onderzoek wordt de verantwoordelijke geregeld door de functionaris integriteit (FI) op de hoogte gehouden over de voortgang ervan.

Rechtspraak bij dit artikel