In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. Inrichting: een inrichting zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;
b. Categorie I: de activiteiten met betrekking tot het houden van dieren vinden plaats in de directe omgeving van:
1. de bebouwde kom;
2. stankgevoelige objecten;
3. objecten voor verblijfsrecreatie, uitgezonderd de verblijfsrecreatie op kampeerboerderijen.
c. Categorie II: de activiteiten met betrekking tot het houden van dieren vinden plaats in de directe omgeving van:
1. niet-agrarische bebouwing, geconcentreerd in lintbebouwing buiten de bebouwde kom, langs wegen, vaarten, dijken e.d.;
2. meerdere verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen die aan het desbetreffende buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen;
3. objecten voor dagrecreatie.
d. Categorie III: de activiteiten met betrekking tot het houden van dieren vinden plaats in de directe omgeving van een enkele niet-agrarische bebouwing in het buitengebied.
e. Categorie IV: de activiteiten met betrekking tot het houden van dieren vinden plaats in de directe omgeving van een agrarische inrichting.
f. Tabel: de tabel in artikel 2, onder d van deze beleidsregels.