Naast het bepaalde uit artikel 2 wordt bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een inrichting rekening gehouden met de volgende aspecten:
a. winstoogmerk (verhouding tussen kosten en opbrengsten);
b. de hinder die de activiteit veroorzaakt (bijv. stank-, geluidsoverlast);
c. de continuïteit van de activiteit (hoe lang zal de situatie voortduren);
d. de wijze van huisvesting van de in de inrichting aanwezige dieren (speciale voorzieningen);
e. commerciële doeleinden (het plaatsen van advertenties, inschrijving bij de Kamer van Koophandel);
f. gebruik/aanwending van de dieren (houdt men de dieren voor hobby, eigen gebruik of gezinsconsumptie);
g. perceelsgrootte;
h. omgeving waar de dieren worden gehouden (landelijk of stedelijk gebied).