Gebruikelijk hulp is hulp die verwacht wordt van echtgenoot, partner, ouders, kinderen en huisgenoten in een leefeenheid en als ‘normaal’ wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en niet structureel méér is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben (zie bijlage 1).
Onder een leefeenheid vallen alle bewoners van één adres die samen een duurzaam gezamenlijk huishouden voeren.
Indien er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot de leefeenheid gerekend, tenzij er sprake is van het voeren van een gezamenlijk huishouden. Een soortgelijke positie wordt ingenomen door mensen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen. Denk hierbij aan woongemeenschappen van kloosterlingen, ouderen of gehandicapten. Ook hier is dus geen sprake van een leefeenheid.
Ondersteuning door huisgenoten in een leefeenheid wordt als gebruikelijke hulp beschouwd:
In kortdurende situaties (maximaal 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat ondersteuning daarna niet meer nodig zal zijn.
In langdurige situaties:
bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de levenssfeer van cliënt (bezoek familie/vrienden, bezoek arts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of andere vrije tijdsbesteding;
hulp bij het overnemen van alle taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie, het schoonmaken van het huis etc.;
het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met cliënt;
ouderlijk toezicht op kinderen, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind.
Afwegingskader voor gebruikelijke hulp
De cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorzieningen als de tot de leefeenheid behorende personen geen gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ter beoordeling van de gebruikelijke hulp wordt rekening houden met:
De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte;
De aard en de relatie van de personen binnen de leefeenheid;
De mate waarin gebruikelijk hulp algemeen aanvaardbaar is ten opzichte van de sociale relatie;
De leeftijd en de ontwikkeling fase van de inwonende kinderen;
De leerbaarheid van de cliënt en de draagkracht van de personen van wie gebruikelijke hulp wordt gevraagd.
In bijlage 1 wordt nader ingegaan op de gebruikelijke hulp in het kader van de Wmo en de Jeugdwet.
Hoofdstuk 2
Artikel 9