Naar hoofdinhoud
Degene die een stoffelijk overschot wil doen begraven of as wil bezorgen, geeft daartoe op­dracht door middel van een door de be­heerder vast te stellen formu­lier. Degene die een stoffelijke overschot wil doen begraven of een asbus wil doen bijzet­ten of gebruik wil maken van de ontvangstruimten, of zijn gemach­tigde, geeft daarvan uiterlijk 3 werkdagen of 72 uur voorafgaand aan de dag of het tijdstip waarop de begraving of bijzetting zal plaats­vinden, schriftelijk kennis aan de be­heerder. Daarbij wordt aangege­ven ten aanzien van welke van de in artikel 9, 10 en 11 bedoel­de typen graven men een graf­recht wil vestigen. Indien de burgemeester verlof heeft verleend om het stoffelijke overschot binnen 36 uur na het overlijden te begraven moet de kennisgev­ing aan de beheerder­­­ zo tijdig mogelijk worden gedaan. Bij de in het tweede en derde lid bedoelde kennisgeving dient het verlof tot begra­ving van de ambtenaar van de burgerlijke stand of een ander wettelijk daarmee gelijkgesteld document te worden overgelegd. Indien het stoffelijke overschot binnen 36 uur na het overlijden wordt begraven dient behalve het in het vierde lid bedoelde verlof of document ook het in het derde lid bedoelde verlof van de burgemeester te worden overge­legd. Indien de begraving of de bijzetting in een bestaand particulier graf zal plaatsvin­den, dient een machti­ging daartoe aan de beheerder te worden overge­legd. De machtiging moet zijn ondertekend door de recht­hebben­de. Indien de rechthebbende is overleden en in het graf dient te worden begraven of zijn asbus dient te worden bezorgd, dient het verzoek tot overschrijving daaraan voorafgaand te worden gedaan. De ondertekenaar van deze machtiging wordt beschouwd als de nieuwe rechthebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel