Naar hoofdinhoud
De melder is verplicht om in zijn werkvoorbereiding te inventariseren welke leidingexploitanten belangen hebben in het beoogde tracé, deze te informeren over de voorgenomen werkzaamheden en gegevens over de aard en ligging van die belangen op te vragen. In ieder geval zal er vooraf een melding moeten worden gedaan bij het Kadaster-sectie KLIC. De melder dient zich te overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk gelegen leidingen. Hiertoe dient in het beoogde tracé proefsleuven te worden gegraven om zich van de aangegeven ligging van kabels en leidingen te overtuigen. De proefsleuven dienen zodanig te worden gesitueerd en uitgevoerd dat alle kabels en leidingen op 0,75 meter aan weerszijden van het hart van het beoogde tracé goed zichtbaar gemaakt worden. Hiertoe met name de diepte van hoofd- en dienstleidingen telecommunicatie, elektra-, gas-, warmte- en water in acht nemen. Van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels en leidingen houdt melder een actuele registratie bij die op eerste aanzeggen aan de toezichthouder van de gemeente worden overhandigd. Indien afwijkingen van het vigerende standaard profiel dan wel het doorbevoegde gezag aangewezen standaard tracé worden geconstateerd zal de toezichthouder van de gemeenten in overleg met melder een nieuw beoogd tracé uitzetten. De leidingexploitatant is bij het maken van proefsleuven gehouden het Handboek en W.I.O.N. bepalingen stipt na te leven. Kabels en leidingen van de leidingexploitant die (door het onder de instemming uitgevoerde werk) blijvend buiten gebruik zijn gesteld dan wel kabels en leidingen die de afgelopen 10 jaar geen dienst hebben gedaan/niet in gebruik zijn genomen, dienen te worden verwijderd. De overgangsregeling, zoals opgenomen in de WION is hierbij van toepassing. Het bevoegd gezagzal besluiten hoe de leidingexploitant dient te handelen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de leidingexploitant op zijn kosten deze verlaten kabels en leidingen moet verwijderen op een door het bevoegd gezag aan te geven tijdstip. Indien blijkt dat de zetting aan een direct aan de openbare ruimte grenzende gevel zodanig is dat verwacht kan worden dat de huisaansluiting dreigt te beschadigen of af te breken dan is de melderverplicht hiernaar onderzoek te doen, zonodig maatregelen te nemen en deze in de melding te specificeren. Tijdelijk aan te brengen voorzieningen in de openbare ruimte dienen de goedkeuring te hebben van de toezichthouder van de gemeente. Deze tijdelijke voorzieningen, zoals damwanden, etc. dienen na voltooiing van de werkzaamheden te worden verwijderd. Mocht dit om welke reden dan ook niet mogelijk zijn, dan kan alleen door de beheerder van de openbare ruimte besloten worden deze voorzieningen tot een nader te bepalen maat onder het maaiveld te verwijderen. In de regel is deze maat minimaal 2,50 m. Bij het plannen van routes van kabels, leidingen en voorzieningen nabij bomen en in- of nabij groenvoorzieningen moeten de bepalingen van dit Handboek strikt in acht worden genomen. In het kader van bodemverontreiniging zie bepaling van artikel 5.4.7 in dit Handboek. Huisaansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op het distributienet aangelegd om geen beslag te leggen op de ruimte voor distributieleidingen. Er kan sprake zijn van voorbereide huisaansluitingen, waarbij de voor de huisaansluiting bedoelde buis, kabel of leiding al op de volledig benodigde lengte vanaf de hoofdleiding tot aan de klantaansluiting in de openbare grond tijdelijk moet worden opgeborgen (voornamelijk bij CAI-, FTTH- en Datanetten). In die gevallen moet deze voorbereiding zo strak mogelijk opgerold en gebundeld, verticaal op de juiste diepte te worden weggezet evenwijdig tegen de erfgrens van het perceel waar de voorziening voor bedoeld is. Het hiervoor eventueel benodigde tracé of straatoversteken dienen tegelijk met de aanleg van de hoofdsleuf te worden aangebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel