Bij het bepalen van een tracé dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de bovengrondse infrastructuur en objecten. Objecten kunnen onder andere zijn: langsliggende dan wel kruisende wegen, spoorwegen, waterlopen, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende leidingen, bomen, ondergrondse containers, gebouwen en stalen objecten waaronder damwanden.
Verder geldt dat getracht wordt dat boven bestaande leidingen geen obstakels geplaatst worden. Indien geen andere oplossing mogelijk is, dan kan in overleg met de betreffende leidingexploitant(en) onder voorwaarden en/of het treffen van maatregelen alsnog tot plaatsing boven leidingen worden overgegaan.
Straatmeublair zoals prullenbakken, bankjes, lichtmasten, verkeersbordpalen, paaltjes e.d. worden niet gezien als obstakels. Gemeente probeert rekening te houden met de ondergrondse infrastructuur.
4.4.1 Open watergangen en waterkeringen
Open watergangen zijn beheersmatig in twee groepen te onderscheiden:
Watergangen beheerd door de gemeente: bij het kruisen hiervan dient allereerst de feitelijke diepte van de watergang te worden opgevraagd. Dit is noodzakelijk vanwege de minimale gronddekking. Deze dient tenminste 1,00 m. ten opzichte van de ontwerpdiepte (van de watergang) te bedragen, of als de aanwezige bodem lager ligt dan de ontwerpdiepte- tenminste 1,00 m. t.o.v. de aanwezige bodem;
Watergangen en waterkeringen beheerd door derde zoals het waterschap of watergangen beheerd door Rijkswaterstaat: deze worden aangemerkt als een waterstaatswerk. Hierop zijn de vigerende NEN 3651en NEN 3650 van toepassing;
4.4.2 Bomen
Werkzaamheden aan- of bij groenvoorzieningen en bomen worden zoveel mogelijk vermeden. Is dit toch onvermijdelijk dan wordt eerst overleg gevoerd met de toezichthouder en groenbeheerder van de gemeente, ongeacht of er sprake is van een verlegging in een nieuw- of een bestaand tracé. Zie ook bijlage 1 van dit Handboek.
Bij het indelen van leidingen in de nabijheid van bomen is het uitgangpunt dat er geen bomen worden gekapt, maar gepasseerd worden door middel van een boring of persing. Wanneer het echt noodzakelijk is een boom te kappen moeten afspraken hierover worden gemaakt met het bevoegd gezag.. Voor de minimale afstand tussen boom en leiding, is de uiteindelijk te bereiken boomgrootte bepalend. Er mogen geen graafwerkzaamheden plaatsvinden binnen kwetsbare boomzones, tenzij er afspraken hierover zijn gemaakt met de toezichthouder en/of groenbeheerder van de gemeente.
Minimale afstand kant sleuf in relatie tot stamdiameter van de boom en stabiliteitskluit:
Stamdiameter op 1,3m + m.v.
10cm
40cm
60cm
80cm
100cm
(1) min. graafafstand hart stamvoet (standaard)
1,25 m
1,50 m
1,75 m
2,25 m
2,50 m
(2) min. graafafstand hart stamvoet (*trekzijde)
*trekzijde: kant stabiliteitswortels
2,00 m
2,50 m
3,00 m
3,50 m
4,00 m
Hoofdstuk 4
Artikel 4.4