Naar hoofdinhoud
1.. De inkomstenvrijlating is op alle inkomsten uit arbeid van toepassing die na de ingangsdatum van de bijstand zijn aangevangen. 2.. Op inkomsten die vóór instroom van de bijstand zijn aangevangen kan de inkomstenvrijlating worden toegepast indien: het een alleenstaande ouder betreft met kinderen jonger dan 5 jaar, of; er sprake is van een structurele urenuitbreiding van minimaal vier uur per week. 3.. De inkomstenvrijlating kan één keer per bijstandsperiode worden toegepast. 4.. Onder dezelfde bijstandsperiode wordt aangemerkt: De periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking, die korter is dan 30 dagen, wordt voortgezet; De situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van deze onderbreking; De situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente al werd verstrekt; Voortzetting van bijstand na een normwijziging. 5.. Indien een nieuwe bijstandsperiode aanvangt binnen zes maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating, dan ontstaat er geen nieuw recht op inkomstenvrijlating. 6.. In de situatie van gehuwden heeft eenieder een individueel recht op inkomstenvrijlating. 7.. Personen jonger dan 27 jaar zijn uitgesloten van het recht op de inkomstenvrijlating. 8.. Het recht op een inkomstenvrijlating wordt ambtshalve vastgesteld.

Rechtspraak bij dit artikel