Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.3.

Landschapsontwikkeling en menselijke bewoningssporen

Onderdeel van Besluit van de raad van de gemeente Den Helder houdende regels omtrent het beleidskader voor archeologie

De landschappelijke context is van belang voor de nieuw opgestelde verwachtingskaart. Op basis van het landschap en de landschapsontwikkeling, in combinatie met de toetsing van reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen de gemeente, kan een gefundeerde uitspraak worden gedaan over de verwachte archeologische resten binnen een gebied. De landschapsontwikkeling is gebaseerd op de beleidsnota 2003 en de beleidsadvieskaart van Fort Erfprins uit 20079Van Lil 2007., maar zal aan de hand van paleogeografische kaarten die in 2013 zijn verschenen, worden beschreven (zie afb. 2.1).10Vos, P. & S. de Vries 2013. Deze kaarten geven elk een momentopname weer van een geografische situatie en achter elkaar gezien tonen ze de ontwikkeling van het landschap. Binnen de ontwikkeling van het landschap zal tevens de bewoningsgeschiedenis worden beschreven. Hier vormt eveneens en beleidsnota 2003 de basis voor. IJstijden – het Pleistocene dekzand In de voorlaatste ijstijd (Saalien, 180.000-130.000 jaar geleden) was het noordelijke deel van Nederland bedekt met landijs en zijn de Hoge Berg op Texel en de stuwwal van Wieringen gevormd. In een warme periode van 10.000 jaar (Eemien) steeg de temperatuur en stond de zeespiegel hoog. De locatie van Den Helder bevond zich in zee. In de laatste ijstijd (het Weichselien, 120.000-10.000 jaar geleden) bedekte het landijs Nederland niet. Het klimaat was koud en Nederland was een poolwoestijn waar de wind vrij spel had en grote delen van Nederland bedekt werden met een dik pakket zand, het dekzand. Dit zand bevindt zich in Noord-Holland veelal onder metersdikke lagen veen, klei en zand, afgezet tijdens het Holoceen (10.000 jaar geleden tot nu). Alleen op Texel en Wieringen bevindt dit reliëfrijke pleistocene dekzand zich vandaag de dag nog aan het oppervlak. Het reliëf wordt duidelijk aan de hand van de hoogteliggingen: op Texel bevindt het pleistocene dekzand zich op een hoogte van ca. 14m +NAP, in de Koegraspolder ca. 5m beneden maaiveld of –NAP (het maaiveld ligt hier ongeveer op NAP-hoogte). Het zijn de hooggelegen dekzanden waarvan bekend is dat hier in de prehistorie intensief is gewoond. Binnen de gemeente Den Helder komen de oudste archeologische vondsten ook van een dekzandkop. In 1956 en 1978 werden respectievelijk enkele vuurstenen afslagen en een pijlpunt gevonden in de Koegraspolder, ten noorden en westen van Julianadorp (Mesolithicum, 8000-4000 v.Chr.). Op afbeelding 2.1 (9000 v.Chr.) is zichtbaar dat het huidige Den Helder dan in een reliëfrijk gebied ligt van Pleistoceen zandgebied (met een hoogteverschil van 16m: tussen -16 en 0m NAP). Het Holoceen – strandwallen en veengebied In het Holoceen wordt het warmer, smelt het landijs en stijgt de zeespiegel. Langs de kust ontstaat een serie strandwallen gescheiden door zeegaten, die zich langzaam richting het oosten verplaatsen. Ten zuiden van Den Helder ontstaat achter de strandwallen een uitgebreid getijdengebied met wadden en kwelders. Langs de randen van het kweldergebied treedt veenvorming op en is klei afgezet (afb. 2.1, 3850 en 2750 v.Chr.). Het afzettingsmilieu was aan de randen van dit gebied kalm, waardoor erosie van het dekzandoppervlak waarschijnlijk beperkt is geweest. Golfslag kan echter wel voor erosie gezorgd hebben. De veengroei vond plaats in de lager gelegen delen van het landschap, waar dekzandkopjes- en ruggen als eilandjes tussen lagen. Dit duurde tot 2000 v.Chr., toen sloot de strandwalgordel zich. Nadat rond 1500 v.Chr. het zeegat van Bergen ook volledig sloot, kon het rivier- en hemelwater niet meer worden afgevoerd. Hierdoor ontstond een drassig zoetwatergebied waar veengroei optrad en waar uiteindelijk ook de hoger gelegen delen van het dekzandoppervlak door veen werden afgedekt (afb. 2.1, 500 v.Chr.). Rond 500 v.Chr. kwam een einde aan de veengroei, toen door nieuwe zeegaten drainage van het veengebied optrad. In de luwte van de strandwallen werden de hoger gelegen veenkussens geschikt voor bewoning. Op de paleogeografische kaarten is zichtbaar hoe het kweldergebied zich uitbreidt (2750 v.Chr.) en na sluiting van de strandwalgordel het veen verder opkomt. Uit de voorgaande periode kunnen archeologische resten op de dekzandkoppen en –ruggen worden aangetroffen alsook op drooggevallen kwelders. Deze kunnen verspreid in het gebied aanwezig zijn en kunnen daarom moeilijk voorspeld worden. Recentelijk zijn archeologische sporen aangetroffen uit de Late Bronstijd op kwelderafzettingen bij de terp Het Torp (zie ‘kenniswinst’, hoofdstuk 2.4). Uit de IJzertijd (800-12 v.Chr.) kan bewoning worden aangetroffen op het veen, al dan niet op terpen. Bij het Gemini-ziekenhuis en aan de Jan Verfilleweg zijn archeologische resten uit de IJzertijd gevonden. Bij deze laatste locatie zijn vondsten tot uit de 4e eeuw aangetroffen op een diepte van ruim 3m –NAP. Ook elders in de gemeente zijn vondsten uit de Romeinse tijd aangetroffen, maar vooral uit opgebrachte grond. Sporen van Romeinse bewoning zijn tot dusverre nog niet aangetroffen. De Middeleeuwen – geïsoleerde eilanden langs de kust en opgeworpen terpen in een kweldergebied Tot in de Middeleeuwen kon men op het veen wonen. Naast de natuurlijke ontwatering van het veen leidden ontginningen tot oxidatie en inklinking van het veen. Door stormvloeden vanaf de 9e-10e eeuw brak de gesloten kustlijn en braken de strandwallen op diverse plaatsen door (afb. 2.1, 800 n.Chr.). In 1170 ontstond bij de eerste Allerheiligenvloed de Waddenzee en Zuiderzee. In de 14e eeuw was de westkust gefragmenteerd geraakt en waren nog restanten van de strandwal met duinen aanwezig in de vorm van geïsoleerde eilanden (‘ogen’; afb. 2.1, 1500 n.Chr.). Zo zijn onder andere de eilanden Huisduinen en Callantsoog ontstaan. Hierachter lag een kwelderlandschap. Om in dit gebied te kunnen wonen, wierp men terpen op. Eén terp is onder andere terug gevonden in wat nu de wijk De Schooten is (Het Torp, zie onder). Ook in het westelijke deel van het Balgzand zijn bewoningssporen uit de Vroege tot Late Middeleeuwen geconstateerd en in Julianadorp zijn middeleeuwse vondsten gedaan. Den Helder bevindt zich dan in een getijdengebied aan de oostkant van het eiland Huisduinen. Vanaf de 15e eeuw zijn zanddijken aangelegd om de eilanden met elkaar te verbinden en achter de duinen werden dijken aangelegd. Deze dijken waren verhoogde wegen de polder in. Toch zorgden stormvloeden voor overstromingen achter de dijken en duinen en in 1570 tijdens de Allerheiligenvloed werden de duinen weggeslagen en werd het westelijke deel van de kop van Noord-Holland bedekt met een dik zandpakket (afb. 2.1, 1500 n.Chr.). Veel land is toen verloren gegaan. Dit is nu nog duidelijk want de oude kernen van Huisduinen en Den Helder liggen ver buiten de huidige zeedijk. Nieuwe tijd - ingedijkt overstromingsgebied Door de aanleg van dijken is het ‘ingedijkte overstromingsgebied’ ontstaan, wat op de laatste twee afbeeldingen zichtbaar is (afb. 2.1). In de 16e eeuw lagen twee dorpen op het eiland van Huisduinen: Huisduinen en Helder. Het scheepvaartverkeer tussen de Noordzee en de havens in de Zuiderzee liep toen voor een belangrijk deel via het Marsdiep. De rede van Texel was eeuwenlang voor zowel de koopvaardij- als de oorlogsvloot een van de belangrijkste verzamelplaatsen. Vaak lagen er vele tientallen, soms wel honderden schepen voor anker. Bij zware stormen vergingen er dan ook regelmatig schepen. De grote dynamiek van het getijdenstelsel zorgde voor een snelle luchtdikte afdekking van de gezonken schepen. Hierdoor zijn de vele tientallen wrakken zeer goed geconserveerd waardoor gegevens over onder andere de schepen, de uitrusting, het leven aan boord en de handel tot in detail bewaard zijn gebleven. De Noordzee en vooral het westelijke deel van de Waddenzee hebben dan ook een unieke (scheeps)-archeologische waarde. De betekenis van dit gebied stijgt uit boven het nationale niveau. Het gaat namelijk om handel over en vanuit de hele wereld waarvan resten bewaard zijn gebleven. De unieke conservering en het grote aantal scheepswrakken maken de Waddenzee het rijkste scheepsarcheologische gebied van Europa, misschien wel van de wereld. Ter bescherming van deze belangrijke scheepvaartroute en verzamelplaats, werden er eind 16e eeuw op Texel en Huisduinen schansen opgericht. In dezelfde periode, aan het begin van de 17e eeuw, werd de Zanddijk aangelegd tussen Den Helder en Callantsoog, wat de bereikbaarheid van Den Helder verbeterde. Bovendien konden zich langs deze dijk stuifduinen ontwikkelen wat het gevaar voor overstroming verminderde; een eerste stap naar de ontwikkeling van de polder het Koegras. Zo’n twee eeuwen later, in 1781, werd Den Helder ingericht als oorlogshaven. Op de plaats van het huidige fort Oostoever werd in de jaren 1791-1792 het Nieuwe Werk aangelegd als kiel- en werkplaats en er werden verdedingswerken gebouwd ter bescherming van de haven. De landzijde werd echter niet verdedigd waardoor de Engelsen en Russen in 1799 de stad gemakkelijk over land konden binnentrekken. In 1810 werd Nederland ingelijfd bij het napoleontische Frankrijk. Napoleon had grootse plannen met Den Helder. De oorlogshaven moest het ‘Gibraltar van het Noorden’ worden en in de jaren 1811-1813 werden dan ook uitgebreide vestingwerken aangelegd: fort Du Falga, een stuk vestingwal ten zuiden van Willemsoord, fort Lasalle (fort Erfprins), fort Morlan (Kijkduin) en fort L’Ecluse (Dirks Admiraal). Na de voltooiing van het Noord-Hollandsch Kanaal werden hier nog de forten Westoever en Oostoever aan toegevoegd. Ook gedurende de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog bleef Den Helder van grote strategische betekenis. De Duitsers legden destijds een verdedigingslinie aan van Noorwegen tot de Spaanse grens. Deze ‘Atlantikwall’ bestaat uit bunkers, geschutsopstellingen, versperringen en mijnenvelden die zijn geconcentreerd langs strategische punten. Den Helder is zo’n strategisch punt. In 1943 wordt het oude centrum van Den Helder vrijwel volledig afgebroken en worden in en rond de stad ruim 300 bunkers gebouwd. Ook de al bestaande forten worden gebruikt. In het westen komen drie extra versterkte bunkers met radarsystemen voor de luchtverdediging. In het zuiden wordt het land beschermd door een brede antitankgracht, waar mijnen langs worden gelegd. De Atlantikwall wordt nooit helemaal voltooid.11http://onh.nl/nl-NL/verhaal/9414/wo-ii-bunker-atlantikwall Afb. 2.1. Paleogeografische kaarten door de tijd heen, op de huidige topografie geplot. Den Helder is centraal gelegen. Afb. 2.1. Legenda behorende bij de paleogeografische kaarten.

Rechtspraak bij dit artikel