Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.4.

Kenniswinst door archeologisch onderzoek: 2002-2017

Onderdeel van Besluit van de raad van de gemeente Den Helder houdende regels omtrent het beleidskader voor archeologie

In de gemeente Den Helder zijn volgens ARCHIS in de periode 2002 tot en met juli 2017 in totaal 34 bureauonderzoeken gedaan. In een aantal gevallen heeft de bevoegde overheid besloten dat gravend vervolgonderzoek nodig was. Er zijn drie archeologische begeleidingen van bodemingrepen uitgevoerd, 17 booronderzoeken, twee proefsleuvenonderzoeken en één opgraving. Ook is in ARCHIS één onderwater-archeologisch onderzoek gemeld, één archeologische inspectie naar aanleiding van een toevalsvondst en één project met luchtfoto’s/remote sensing. Op basis van deze archeologische onderzoeken zijn negen locaties vrijgegeven en bij zes is vervolgonderzoek geadviseerd. Tijdens de uitgevoerde onderzoeken zijn diverse archeologische vindplaatsen onderzocht. Zo is bijvoorbeeld op de locatie Rijkswerf Willemsoord een archeologische begeleiding uitgevoerd in ‘de Ketelmakerij’, waar resten van een scheepshelling en scheepsloods zijn aangetroffen. De enige opgraving die recentelijk is uitgevoerd was bij de (reeds bekende) vroegmiddeleeuwse terp Het Torp. Ook konden bekende vindplaatsen beter begrensd worden of het archeologieregime worden aangepast. Al deze nieuwe gegevens zijn geregistreerd in ARCHIS en opgenomen in de nieuwe verwachtingskaart. 2.4.1.Archeologische onderzoeken Late Bronstijd en Middeleeuwen Het torp (DH3-1A) De terp Het Torp is voor een deel in de jaren ’60 onderzocht en vervolgens in 1997 nadat er bij graafwerkzaamheden vondsten waren gedaan (onder andere vijf skeletten). In 2012 heeft De Steekproef een karterend booronderzoek uitgevoerd bij een sporthal die gesloopt zou gaan worden. Daaruit bleek dat intacte lagen van de terp aanwezig waren. In 2016 volgde het vervolgonderzoek: een klein booronderzoek door het Terpenmuseum en een opgraving door ADC ArcheoProjecten. Er zijn zes fasen op dit deel van de terp te herleiden12Roessingh 2018.. Het oudste niveau wordt gevormd door kwelderafzettingen waar aanwijzingen voor betreding van dieren zijn gevonden. Verrassend is de datering van dit niveau: Late Bronstijd. Tijdens voorgaand onderzoek was een datering in de Vroege Middeleeuwen verondersteld. Ook het volgende kwelderpakket wordt betreden door dieren; dit pakket is rond de 9e of 10e eeuw gedateerd. De eerste aanwijzingen voor menselijke activiteiten bevinden zich in de top van hetzelfde kwelderpakket in de vorm van enkele greppels. Het terrein wordt vervolgens in de 10e -11e eeuw opgehoogd (‘terplagen’), waarna het terrein met plaggenwanden omgeven wordt die opgevuld worden met plaggen en grond (‘podia’). De inrichting van het terrein blijft gehandhaafd, waarbij in latere perioden wel nieuwe greppels worden gegraven. Het archeologieregime blijft ongewijzigd. Wel blijkt uit het onderzoek dat intacte archeologische resten zich ook in de directe omgeving nog kunnen bevinden, ook al is de eerste meter beneden maaiveld verstoord. Het Torp is een beschermd gemeentelijk monument (rechthoekige vorm op verwachtings- en beleidskaart), en een deel is ook als AMK-terrein aangemerkt (half cirkelvormig op verwachtings- en beleidskaart). De begrenzing zoals deze in de oude beleidskaart stond, is op basis van bovenstaande gegevens uitgebreid. Vanwege de hoge archeologische verwachting is een zone van 200m rondom het Torp gemarkeerd. Middeleeuwen Buitendijkse ligging oorspronkelijke dorp Huisduinen – nieuwe code DH5-6 Gebaseerd op de historische kaart uit 1150 (zie afb. 2.2), waarop de ligging van het toenmalige dorp Huisduinen staat aangegeven, is deze locatie in de Noordzee gemarkeerd onder DH5-6. In principe dient hier rekening behouden te worden met archeologische waarden. Het gebied bevindt zich echter in de stroomgeul van het Marsdiep. Door het uitslijten van deze geul zullen de archeologische resten grotendeels zijn verspoeld en verdwenen. Alleen hele robuuste objecten kunnen bewaard zijn gebleven, zoals scheepswrakken met ballast en stenen dijkrestanten. Daarom is de verwachting middelhoog. Als archeologiecriteria geldt dat bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 1000m2 en dieper dan 0,35m beneden zeebodem rekening gehouden moet worden met archeologische waarden. Daarnaast gelden de wettelijke beleidsregels bij ontgrondingen: er dient een afstand van 100m te worden gehouden van de ‘wettelijk beschermde monumenten van archeologische vondsten, locaties met melding van archeologische vondsten en wrakken.’ Waddenzee – nieuwe code DH5-7 In de Waddenzee zijn enkele locaties bekend waar schepen zijn aangetroffen. Tevens zijn op Het Balgzand sporen aangetroffen uit de Vroege en Late Middeleeuwen. Gebaseerd op de historische kaart uit 1150, waarop het land van Het Balgzand staat aangegeven (zie afb. 2.2), is deze zone nu gemarkeerd onder DH5-7. Als archeologiecriteria geldt dat bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 1000m2 en dieper dan 0,35m beneden zeebodem rekening gehouden moet worden met archeologische waarden. Daarnaast gelden de wettelijke beleidsregels bij ontgrondingen: er dient een afstand van 100m te worden gehouden van de ‘wettelijk beschermde monumenten van archeologische vondsten, locaties met melding van archeologische vondsten en wrakken.’ Afb. 2.2. Het huidige Noord-Holland geprojecteerd op de landschappelijke ondergrond van 1350.13Met dank aan K. Minneboo voor het aanleveren van deze afbeelding. Nieuwe tijd – 18e-19e eeuw De Nieuwe Haven – nieuwe code DH3-17 Een aanvullende beleidskaart voor het plangebied Nieuwe Haven is in 2013 gepubliceerd.14Verweij 2014. Op basis van dit bureauonderzoek geldt voor een groot deel van het plangebied van de Nieuwe Haven een hoge archeologische verwachting. Deze beleidskaart is toegevoegd aan de nieuwe beleidskaart en de archeologische verwachting is toegevoegd op de waarden- en verwachtingskaart. Als archeologiecriteria geldt voor met name het oostelijk deel van het gebied dat bij werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 200m2 en dieper dan 4m –mv rekening gehouden moet worden met archeologische waarden. Vanaf deze diepte kunnen archeologische resten van middeleeuwse kwelders worden aangetroffen, en op diepere niveaus resten van de prehistorie tot en met de Romeinse tijd.15Gebaseerd op het onderzoek van Verweij 2014. Het westelijk deel van het gebied is archeologievrij en behoeft geen archeologiecriteria. Nieuwe tijd – 19e eeuw DH3-2A Omwalling van de Nieuwstad Op de archeologische beleidskaart is de begrenzing anders weergegeven dan bij het AMK-terrein van de Rijksdienst. Bij recent archeologisch onderzoek blijkt de omwalling aan de westzijde van het gebied DH3- 2A niet dicht onder de stadsbebouwing te zijn aangetroffen. Op deze locatie wijzigt het archeologieregime naar de archeologiewaarde van ‘het stedelijk gebied’ (DH3). DH3-5A De Linie De verbindingswal tussen de forten Erfprins, Dirks Admiraal en Westoever en onderdeel van de Stelling van Den Helder. Tussen de forten Erfprins en Dirks Admiraal zijn tijdens werkzaamheden structuren aangetroffen, die van stellingposten en verblijven waren. Tevens is bekend dat in de jaren ’70 van de 20e eeuw de verbindingswal met ca. 50cm grond is opgehoogd.16Salomons 2014. Het archeologieregime blijft ongewijzigd. DH3-8A Rijkswerfterrein Uit recent archeologisch onderzoek is gebleken dat aan de westzijde van de Rijkswerf op 2m –mv 19e- eeuwse bebouwing aanwezig is. Enkele recente archeologische onderzoeken geven aan dat ten zuiden van de Rijkswerf, geen hoge waarde archeologie wordt verwacht. Daarom wijzigt op deze locaties het archeologieregime. Aan de westzijde zijn bodemingrepen toegestaan tot een diepte van 2m-mv, aan de zuidzijde zijn bodemingrepen toegestaan tot een diepte van 3m –mv. De omvang van het terrein van de Rijkswerf met een hoge archeologische waarde wordt daarmee kleiner. Nieuwe tijd – 20e eeuw DH4-8A Atlantikwall In de beleidsnota van 2003 staat bij de codering DH4-8A ‘zuidelijk van de schoolvaart’. Dit wordt gewijzigd in Atlantikwall. Op deze locatie bevindt zich de antitankgracht, maar verspreid door de gemeente bevinden zich meerdere bunkers en onderdelen die tot deze Atlantikwall hebben behoord. De nu bekende onderdelen hebben een subnummer gekregen binnen de code DH4-8A. De antitankgracht is tevens bij recent onderzoek aangetoond.17Leuvering 2007. Archeologieregime: Op al deze locaties geldt een dubbelbestemming archeologie. Het archeologiecriterium wordt aangepast, vanwege het belang van het militaire erfgoed. Bij werkzaamheden met een oppervlakte boven de 50 m2 en dieper dan 35 cm moet rekening behouden worden met de aanwezigheid van archeologische waarden. Een aanvulling betreft de metaaldetectie: er geldt een verbod op metaaldetectie zonder vergunning. Aanpassingen/Aanvullingen DH3 en DH4 Op basis van de recente archeologische onderzoeken die zijn uitgevoerd in de zones ‘DH3 - Overige stedelijk gebied’ en ‘DH4 – Het landelijk gebied’, kunnen hier de archeologieregimes en –criteria gehandhaafd blijven. De zones DH3-15A en DH4-9A bevinden zich in het landelijke gebied, waarvoor het archeologiecriterium geldt dat bij plangebieden groter dan 500 m2 of meer en 4m –mv of dieper, archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Deze zones worden opgeheven als aparte locatie18Deze zones zijn daarom niet meer op de verwachtings- en beleidskaart aanwezig., omdat zij onder het criterium van het landelijk gebied voldoende gewaarborgd zijn, maar als aparte zone wel onduidelijkheid veroorzaken. Detectieverbod Vanwege het toegenomen belang van het militaire erfgoed wordt een detectieverbod opgenomen voor alle militaire vindplaatsen behorende bij de Stelling van Den Helder en de Atlantikwall. Metaaldetectie kan kenniswinst opleveren, maar er kan ook kennis verdwijnen. Door een gecontroleerd detectiebeleid kunnen vondsten worden geregistreerd en blijft de kennis beschikbaar voor onderzoek. Alleen metaaldetectoramateurs met een vergunning mogen metaaldetectie uitvoeren, met een meldingsplicht. Vrijgave DH3-10A ‘Oostelijk van de Jan Verfailleweg’ Tijdens booronderzoek is geen archeologische laag in of op de top van het veen aangetroffen.19De Boer en Nederpelt 2007. Deze locatie kan worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Ten zuiden van het gebied De Nollen (DH3-11A) zijn tijdens archeologisch booronderzoek geen aanwijzingen aangetroffen voor bewoning: de archeologisch interessante lagen waren ongeschikt voor bewoning, aangetast door erosie en/of door menselijk handelen.20Timmerman 2007 Dit gebied is vrijgegeven voor ontwikkeling. 2.4.2.Inzicht in bodemverstoringen en archeologievriendelijk bouwen De bovengrond (bouwvoor) in Den Helder is vrijwel overal verstoord door ontginning, agrarisch gebruik, ontgronding, herverkaveling en egalisatie en ongeveer 35 cm. Daarom geldt een vrijstellingsgrens tot 0,35cm –mv. De Universiteit Wageningen heeft onderzoek gedaan naar grootschalige verstoringen in Nederland (zie afb. 2.3a).21Maas et al 2016. Voor een groot deel van het grondgebied van de gemeente Den Helder zijn ‘vergravingen’ genoteerd, waarbij op afb. 2.3b de te zien is dat het veelal om landbouwgrond gaat. Deze zones bevinden zich echter vooral in het landelijke en deels het stedelijk gebied, waar archeologische resten pas op respectievelijk 4m en 3m diepte worden verwacht. Naar verwachting zijn deze dieper gelegen archeologische resten niet of nauwelijks aangetast. Per locatie zal moeten worden bekeken of verstoring van toepassing is en in welke mate. 22De kaart is te raadplegen via de website van de RCE: https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=Verstoringsbronnenkaart# Afb. 2.3b. Uitsnede van de verstoringskaart van de RCE, met daarop zichtbaar de landbouwgronden (lichtgeel) en natuurlijke gebieden (donkergroen).23De kaart is te raadplegen via de website van de RCE: https://archeologieinnederland.nl/verstoringsbronnenkaart. Archeologievriendelijk bouwen Behoud in situ is het uitgangspunt in het archeologisch beleid. Dit bekent niet altijd dat een locatie niet in ontwikkeling genomen kan worden. Door planaanpassingen kunnen archeologische vindplaatsen worden ontzien, bijvoorbeeld door archeologievriendelijk te bouwen. In onderstaand kader staan enkele richtlijnen voor archeologievriendelijk bouwen.24Gebaseerd op Caspers, Knol & Kars 2011; RCE handreiking 2016. Uitgangspunt blijft echter maatwerk: per plangebied moet onderzocht worden wat de mogelijkheden zijn. Als er een alternatief is, wordt de bodem niet dieper dan 35 cm onder het maaiveld verstoord. Dus geen (parkeer)kelders, ondergrondse kruipruimtes, ondergrondse afvalinzameling, liftputten en/of zwembaden etc. Houdt een bufferzone van tenminste 30 cm aan boven het verwachte of aangetoonde archeologische niveau. Nieuwe kabels en leidingen worden in bestaande kabel- en leidingentracés gelegd, hoewel ook dan rekening gehouden moet worden dat archeologische lagen aangetast kunnen worden en archeologisch onderzoek noodzakelijk kan zijn. Bestaande bebouwing wordt gesloopt tot het maaiveld. Oude funderingen worden niet verwijderd, ook niet voor het heien. Door funderingen heen heien is wel toegestaan. Archeologievriendelijk bouwen met funderingspalen Ieder plangebied vraagt om maatwerk en het palenplan en bijbehorende balkenlaag zal per plangebied moeten worden onderzocht of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In totaal wordt niet meer dan 2% van het totale oppervlak van het bebouwde deel van het bouwplan verstoord. Voor heipalen wordt hierbij de volgende berekening gehanteerd: de verstoring per heipaal is twee keer de oppervlakte van de paal zelf. De afstand tussen twee rijen heipalen is minimaal vier meter, gemeten tussen de palen. Er worden niet meer heipalen geslagen dan uit constructief oogpunt minimaal is vereist. Daar waar andere mogelijkheden zijn (bouwen op staal of andere fundering) worden die mogelijkheden toegepast. Indien er geen andere mogelijkheden zijn, moet worden onderbouwd waarom uitsluitend heipalen kunnen worden toegepast. Er zijn geen onderheide poeren (clusters van palen). Heipalen worden geslagen, tenzij vanwege aantoonbare omgevingsfactoren geschroefde heipalen noodzakelijk zijn. Aanvrager laat door een daartoe gecertificeerd bedrijf ter plaatse van of vlak naast de heipalen een boring tot 4 meter diepte zetten. Deze boring dient om het bodemarchief in kaart te brengen. De boring geldt ook als 0- meting voor de toestand van het bodemarchief, voordat er gebouwd gaat worden. Liever grondvervangende dan grondverdringende palen. Als de heipalen in de toekomst worden verwijderd, kan ervoor gekozen worden de bodem om de heipalen eerst archeologisch te onderzoeken en dan zorgvuldig te verwijderen. Onderzoek welke omvang en diepte de balkenlaag heeft. Deze heeft soms een groter verstoringsoppervlak dan de heipalen.

Rechtspraak bij dit artikel