Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 20.

Specifieke criteria vervoer

Onderdeel van Verordening Wmo gemeente Midden-Drenthe 2020

Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. De te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan uit: een vervoerspas waarmee gebruik kan worden gemaakt van het collectief systeem van aanvullend vervoer. De te verstrekken vervoersvoorziening zal lokale verplaatsingen tot een omvang per jaar van maximaal 2000 kilometer mogelijk maken. een voorziening in natura in de vorm van: een open elektrische buitenwagen; een ander verplaatsingsmiddel; een tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten van: aanpassing van een eigen auto; gebruik van een eigen auto; gebruik van een rolstoel-taxi; aanschaf van een ander verplaatsingsmiddel. Pashouders die een voorziening als bedoeld in het tweede lid onder a verstrekt hebben gekregen kunnen voor gezinsleden een meereispas aanvragen. De begeleider van een persoon met een beperking, voor zover begeleiding voor het gebruik van het aanvullend vervoer medisch noodzakelijk is, kan gratis gebruik maken van de voorziening als bedoeld in het tweede lid, onder a. De voorzieningen bedoeld in het tweede lid, onder b, sub 1 en 2 worden in huur verstrekt; de cliënt sluit hiertoe een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een door burgemeester en wethouders aangewezen leverancier van hulpmiddelen. De maandelijkse huurbedragen die met de huur van deze voorzieningen zijn gemoeid, worden door de gemeente rechtstreeks aan de leverancier van deze hulpmiddelen uitbetaald. De verzekering, het onderhoud aan en de reparatie van deze voorziening maakt deel uit van de huurovereenkomst, met uitzondering van schootkleden en anti-decubitus materialen, welke in bruikleen worden verstrekt. Reparatiekosten aan in bruikleen verstrekte schootkleden en antidecubitusmaterialen, niet zijnde het gevolg van nalatigheid van de gehandicapte zelf, komen voor vergoeding in aanmerking. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in dit artikel indien uit onderzoek volgt dat cliënt een hogere of lagere vervoersbehoefte heeft.

Rechtspraak bij dit artikel