Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 18.

Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking

Onderdeel van Verordening jeugdhulp Midden-Drenthe 2020

De jeugdige en zijn ouders doen aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1. van de Jeugdwet. Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige en/of zijn ouder onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige en/of zijn ouder niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige en/of zijn ouder niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of de jeugdige en/of zijn ouder de individuele voorziening of het pgb niet gebruiken of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de herziening en/of intrekking af te zien. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden niet is aangesproken voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden, tenzij dit de jeugdige of zijn ouders niet is aan te rekenen. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie en accountantscontrole, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht en de geleverde prestaties.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel