Het doel van de Wet Bibob is het waarborgen van de integriteit van het bestuursorgaan en het voorkomen van het faciliteren van criminele activiteiten. Uitgaande van dat doel zijn hieronder beleidsuitgangspunten geformuleerd van gevallen waarin de aanvraag voor een vergunning of een verleende vergunning aan een Bibob-toets wordt onderworpen.
A. Bibob -toets bij aanvraag voor een vergunning
Uitvoering van de Bibob-toets vindt in beginsel plaats bij elke aanvraag voor een:
Drank – en horecavergunning voor de uitvoering van het horecabedrijf;
Drank – en horecavergunning voor de uitvoering van het slijterijbedrijf;
Exploitatievergunning openbare inrichting;
Vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven;
Exploitatievergunning huisvesting arbeidsmigranten.
B. Bibob -toets bij een reeds verleende vergunning
De Bibob-toets kan eveneens worden toegepast ten aanzien van reeds verleende vergunningen. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer bekend wordt dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een mindere of ernstige mate van gevaar is geconstateerd.
C. Tipfunctie officier van justitie
Artikel 26 van de Wet Bibob geeft de officier van justitie de mogelijkheid om de burgemeester te informeren over de wenselijkheid een Bibob-advies aan te vragen (de zogenaamde 'tipfunctie'). Dit gebeurt indien uit gegevens die bij de officier van justitie bekend zijn, redelijkerwijs kan worden afgeleid dat de aanvrager van een vergunning in relatie staat tot strafbare feiten. In het geval dat de officier van justitie gebruik maakt van zijn tipfunctie, vindt altijd een Bibob-toets plaats van de gevraagde of reeds verleende vergunning en wordt altijd advies gevraagd bij het Landelijk Bureau Bibob.
D. Bijzondere gevallen
Het kan voorkomen dat een gevraagde of verleende vergunning niet onder de hiervoor geformuleerde beleidsuitgangspunten valt, maar er toch aanleiding is om de vergunning aan een Bibob-toets te onderwerpen. Indien concrete informatie van de gemeente of informatie van één of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband van het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) hiertoe aanleiding geeft, kan er toch een Bibob-toets plaatsvinden.
E. Uitzondering
Wanneer een vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf (of een exploitatievergunning voor een openbare inrichting) wordt aangevraagd door een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, vindt er in beginsel geen Bibob-toets plaats.
Deze uitzondering geldt niet:
als op grond van informatie van de gemeente of informatie van één of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC een indicatie of een vermoeden bestaat dat er sprake kan zijn van criminele invloed op de exploitatie;
als onderzocht wordt of een verleende vergunning op grond van de Wet Bibob moet worden ingetrokken; of
als de officier van justitie de gemeente adviseert om bij een aanvraag een advies bij het Landelijk Bureau Bibob aan te vragen.
Artikel 4.
Beleidsuitgangspunten
Onderdeel van Beleidsregel Wet Bibob voor horeca- en prostitutiebranche c.a. gemeente Asten 2020