2.1 Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen
Sinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994) kunnen verkeersbesluiten, behalve voor de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden door het verkeer (zie art. 2, tweede lid WvW 1994).
Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer met een amendement een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WvW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt als volgt: “Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.”
Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WvW 1994 geeft dus aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De bevoegdheid voor het opstellen van een verordening staat overigens in artikel 149 Gemeentewet. De gemeentelijke verordening die regels stelt over “parkeerexcessen” is de APV.
Uit het vorenstaande kan afgeleid worden dat optreden in het kader van “parkeerexcessen” plaats vindt op basis van voornoemde APV. Als optreden vereist is in het kader van “verkeersveiligheid” en/of “de vrijheid van het verkeer” gebeurt dit op basis van de daartoe strekkende bepalingen van de WvW 1994.
2.2 Algemene plaatselijke verordening (APV)
In hoofdstuk 5, afdeling 1 ‘parkeerexcessen en stopverbod’, van de APV 2020 is het onderwerp “parkeerexcessen” geregeld. In het kader van dit uitvoeringsbesluit zijn de volgende bepalingen uit genoemd hoofdstuk van de APV van belang:
artikel 5:4: verbod op het langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg parkeren van defecte voertuigen;
artikel 5:5: verbod op de weg parkeren van voertuigwrakken
artikel 5:6: verbod op het langer dan drie óf zeven achtereenvolgende dagen op de weg parkeren van kampeermiddelen, aanhangwagens e.d.
artikel 5:7: verbod op de weg parkeren van reclamevoertuigen (met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken).
Ontheffingen
Om onnodig beslag op de beschikbare parkeerruimte tegen te gaan en/of het straatbeeld overzichtelijk te houden, gaan we terughoudend om met het verlenen van ontheffingen, waarvoor de APV de mogelijkheid biedt. Een eventuele ontheffing is in de eerste plaats alleen mogelijk als er geen mogelijkheid is om op eigen grond te parkeren. In uitzonderlijke gevallen kan het college een tijdelijke ontheffing verlenen zoals bijvoorbeeld als een inwoner een caravan wil verbouwen (en daarvoor geen mogelijkheid op eigen grond heeft) of als een inwoner regelmatig een aanhangwagen nodig heeft voor het dagelijkse leven / werk.
2.3 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) regelt in afdeling 5.3.1 (artikel 5.21 e.v.) de last onder bestuursdwang. De last onder bestuursdwang wordt in artikel 5:21 Awb als volgt gedefinieerd: “de herstelsanctie, inhoudende:
een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding; en
de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te ………..leggen als de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.”
Voor het toepassen van de “last onder bestuursdwang” zijn in dit kader de volgende bepalingen van afdeling 5.3.1 van de Awb van belang:
artikel 5.21: begrip last onder bestuursdwang;
artikel 5:24: de beschikking tot toepassing van bestuursdwang;
artikel 5:25: kostenverhaal;
artikel 5:30: parate executie (verkoop, overdracht of vernietiging);
artikel 5:31: toepassing bestuursdwang in spoedeisende situaties;
artikel 5:31a: verzoek tot toepassing bestuursdwang;
artikel 5:31d: begrip last onder dwangsom.
2.4 Begripsbepaling
In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan dan wel mede verstaan:
Parkeerexces
In de WvW 1994 wordt nergens aangegeven wat het begrip “parkeerexces” precies inhoudt. Volgens (vaste) jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” echter ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen. Dat wil zeggen het parkeren op de weg dat met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht. Maar ook parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, het voorkomen van uitzichtbelemmering en stankoverlast.
Uit de (vaste) jurisprudentie blijkt verder dat (in de eerste plaats) van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, dat betekent strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Voor bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, mag het bestuur strengere eisen stellen en scherpere grenzen trekken.
Weg
Artikel 1:1, onder b, van de APV definieert het begrip “weg” als: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994). Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot de wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de definitie van “weg” in de zin van de WvW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten de volgende argumenten. De WvW 1994 bevat volgens haar overwegingen regels over het verkeer op de weg. Wat in de wet onder “wegen” wordt verstaan staat hiervoor. Artikel 2 van de WvW 1994 bepaalt dat, met inachtneming van de voorschriften van de WvW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regelingen worden gesteld over het verkeer op de wegen. In één van die algemene maatregelen van bestuur, te weten: het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990), staan gedragsregels voor parkeerplaatsen. Zie bijvoorbeeld in artikel 24 e.v. en artikel 46 RVV 1990. Daar wordt onder parkeerplaats ook een parkeerterrein begrepen.
Voertuigen
Tot uitgangspunt is genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen is een uitzondering gemaakt.
Parkeren
De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 1 van de APV zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.), zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling van de APV.
Defecte voertuigen (artikel 5.4 APV)
Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare (defecte) voertuigen op de weg worden geplaatst. In veel voorkomende gevallen heeft de eigenaar of houder van een dergelijk voertuig deze aangekocht om deze weer rijklaar te (laten) maken. Als hierin echter niet wordt geslaagd, wordt het voertuig veelal op de weg achtergelaten, waar het na verloop van tijd een autowrak wordt (zie hieronder). Artikel 5:4 van de APV richt zich in het bijzonder tegen dit soort (parkeer)gedragingen.
Voertuigwrakken (artikel 5.5 APV)
Artikel 5:5 APV. Anders dan de niet-rijklare voertuigen, die in geval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren, geeft een achtergelaten voertuigwrak in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden onredelijk.
Ofschoon we een wrak vaak niet meer kunnen beschouwen als voertuig in de zin van de wegenverkeerswetgeving, is deze bepaling, gezien haar strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeersexcesbepaling aan te merken.
Deze bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken op de weg (in de zin van de WvW 1994). Het verbod richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is dus een ruimere kring van personen dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen dan onder deze bepaling.
Kampeermiddelen / aanhangwagens (artikel 5:6 APV)
Artikel 5:6 APV richt zich tegen het langer dan drie óf zeven achtereenvolgende dagen parkeren van voertuigen die voor recreatie worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op een openbare plaats. In deze bepaling gebruiken we de term parkeren om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet voorkomen.
Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt”, in artikel 5:6 van de APV, is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel, onder deze bepaling vallen.
Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie óf zeven (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden, zodat betrokkene de gelegenheid heeft zijn kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen.
Voor het begrip “aanhangwagen” wordt aangesloten bij artikel 1, lid 1 onder e Wegenverkeerswet:
“Aanhangwagens: voertuig dat kennelijk is bestemd om te worden voortbewogen door een motorrijtuig. In het bepaalde in deze wet kan onder aanhangwagens tevens worden verstaan een voertuig dat door een ander voertuig wordt voortbewogen of kennelijk is bestemd om door een ander voertuig te worden voortbewogen”.
Reclamevoertuigen (artikel 5.7 APV)
Artikel 5:7 van de APV richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door één of meer voertuigen, voorzien van handelsreclame, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van deze bepaling wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruik “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.