Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.7

Ondergrondse ordening en (diepte)ligging

Onderdeel van Handboek Beleidsregels betreffende het aanleggen, in stand houden, verplaatsen en verwijderen van kabels en leidingen Leusden 2015

1.. Alle aanbieders gedogen elkaar in de ruimte voor kabels en leidingen zoals deze bij de uitvoering van de werkzaamheden in werkelijkheid blijkt te zijn. Verder worden kabels en leidingen die door de aanbieder blijvend buiten gebruik zijn gesteld bij het openliggen van de sleuf verwijderd, tenzij het college uitdrukkelijk anders heeft bepaald. Komt de vervangende kabel of leiding in een ander tracé te liggen, dan moet ten allen tijde de verlaten kabel of leiding verwijderd worden . Als later bij werkzaamheden de verlaten kabel of leiding vrij komt te liggen moet deze door en op kosten van de aanbieder verwijderd worden. Verlaten leidingen moeten dicht gedemmerd worden. De nieuw te leggen kabels verhinderen niet de bereikbaarheid van de al in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen en de daarbij behorende voorzieningen. Bestand bijhouden van verlaten kabels en leidingen die later verwijderd dienen te worden. 2.. Om onnodig ruimtebeslag te voorkomen en de ondergrondse ordening beter te structureren, worden de eigen te leggen kabels en leidingen zoveel als mogelijk gebundeld. Daarnaast houdt de aanbieder bij de aanleg rekening met mogelijke uitbreidingen in de nabije toekomst om op korte termijn in hetzelfde tracé werkzaamheden te voorkomen. 3.. Kabels en leidingen worden door de aanbieder in het kabel- en leidingentracé aangelegd volgens het door de gemeente aangegeven dwarsprofiel. 4.. De aanbieder legt zijn kabels en leidingen bij voorkeur eerst onder het voetpad, dan het fietspad en dan de rijbaan onder een halfopen verharding. De aanbieder ziet erop toe dat dekking van de kabels en leidingen minimaal 60 cm bedraagt, gemeten vanaf de onderzijde van de verharding exclusief de fundering. 5.. In afwijking van lid 4 geldt voor mantelbuizen ten behoeve van wegkruisingen dat dezelfde dekking ten minste 70 cm bedraagt. 6.. De horizontale afstand van de te leggen kabels en leidingen of ondergrondse objecten tot de riolering en de daarbij behorende voorzieningen bedraagt minimaal 100 cm. Huis- en kolkaansluitingen zijn hiervan uitgezonderd. 7.. In bermen langs rijbanen bedraagt de afstand van de te leggen kabels en leidingen tot de zijkant van de verharding minimaal 100 cm. Indien de berm smaller is dan 100 cm, wordt in overleg met de toezichthouder een afstand of nieuw tracé bepaald.

Rechtspraak bij dit artikel