**1..** De medewerker bespreekt met de inwoner de hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken. De medewerker onderzoekt:
- - de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?
- - de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit ? En wat betekent dit voor het effect dat de inwoner wil bereiken?
- - de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
- - andere voorzieningen: kan de inwoner gebruik maken van voorzieningen uit andere wetten?
- - de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?
- - de rol van de gemeente: welke hulp kan de gemeente bieden?
- - de rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner?
Informatie die de medewerker na het gesprek ontvangt, betrekt de medewerker bij zijn onderzoek.
**2..** Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de hulpvraag.
**3..** Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen.
**4..** Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheid om te kiezen voor hulp in natura of een persoonsgebonden budget (Pgb). Als de inwoner een Pgb wil ontvangen, dan maakt een Bewustkeuzegesprek deel van het onderzoek uit. Dat gesprek gaat over de taken en werkzaamheden die vastzitten aan een Pgb. Het gesprek gaat ook over de voorwaarden om een Pgb te kunnen krijgen.
**5..** Gaat het om Wmo-hulp, dan informeert de medewerker de inwoner over een bijdrage in de kosten.