Naar hoofdinhoud
1.. Burgemeester en wethouders trekken een standplaatsvergunning in: op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder; of twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij op grond van artikel 6 van deze verordening de vergunning wordt overgeschreven. 2.. Burgemeester en wethouders kunnen voorts een standplaatsvergunning intrekken: als de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; als de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; als de vergunninghouder de voorschriften of beperkingen, zoals bedoeld in artikel 4, vierde lid, van deze Verordening dan wel de bepalingen in het Inrichtingsplan overtreedt, mits hieraan een schriftelijke waarschuwing is vooraf gegaan; als van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; als degene op wie een vergunning ingevolge artikel 6 van deze verordening is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken of; als de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van de Marktgeldverordening gebaseerd op artikel 229 van de Gemeentewet. 3.. In geval van intrekking voor bepaalde tijd kan tevens worden bepaald dat de toegewezen standplaats vervalt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel