De omvang van een voorziening is theoretisch gelijk aan de som van de toekomstige verplichtingen die ten laste van de voorziening gedekt moeten worden. Bij voorzieningen, om een mogelijk voorkomend risico te kunnen dekken, is het bepalen van de kans dat het zich voordoet en de kosten die er dan mee gemoeid zijn een periodiek afwegingsproces noodzakelijk. De onzekerheden zoals die zich kunnen voordoen maken het nodig dat de hoogte van de voorzieningen, minimaal twee keer per jaar, herijkt moeten worden. Dit gebeurt als onderdeel van de planning- en control cyclus.
Voorzieningen mogen nooit negatief zijn. De enige uitzondering hierop zijn voorzieningen gevormd uit de opbrengsten van heffingen (bijvoorbeeld rioolrechten). Reden voor deze uitzondering is dat tarieven daarvan vaak geëgaliseerd worden: er wordt gewerkt met tarieven die gemiddeld genomen voldoende zijn voor het dekken van (kapitaal)lasten voortvloeiend uit investeringen e.d., zodat de tarieven geen sterke jaarlijkse schommelingen kennen.
De investeringen kunnen ongelijkmatig over de in de berekeningen betrokken periode gespreid zijn, terwijl de uit geëgaliseerde tarieven voortkomende opbrengsten gedurende deze periode voldoende zijn om de lasten te dekken. In dit geval kan het voorkomen dat gedurende een beperkt aantal jaren binnen die periode de aan dit doel gekoppelde voorziening een negatieve stand te zien geeft.
Artikel 3.4.