Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Verordening op het onderzoeksrecht van de raad

1. Vanaf het tijdstip van de eerste bekendmaking zijn leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden van een door de raad, het college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, verplicht te voldoen aan een vordering van de commissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de commissie inzage, afschrift of kennis-neming anderszins voor het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 1 nodig is. 2. Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan schaden, wordt niet dan met toestemming van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de vordering voldaan. 3. De in het eerste lid genoemde personen zijn voorts vanaf het tijdstip van de eerste bekendmaking verplicht te voldoen aan een oproeping door de commissie uitgevaardigd om als getuige of deskundige te worden verhoord. 4. Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek alle door de commissie gevorderde medewerking als bedoeld in lid 1 te verlenen. 5. Diegene die over voor het onderzoek van belang zijnde informatie denkt te beschikken, wordt uitgenodigd zich te melden bij de voorzitter van de commissie. 6. De commissie besluit of van de diensten van betrokkene gebruik wordt gemaakt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel