Begin deze eeuw zijn in het AW2000-project met een bepaalde systematiek de landelijke achtergrondgehalten bepaald (lit. 7). Hierop zijn de Achtergrondwaarden gebaseerd die als normen zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.
In het AW2000-project zijn 100 locaties in het relatief onbelaste buitengebied van Nederland bemonsterd en geanalyseerd op een groot aantal stoffen. Deze locaties zijn aselect gekozen, met strikte criteria om een meetpunt uit de steekproef te accepteren: kwam de steekproef toevallig op een weg of gebouw uit dan werd het meetpunt niet een stukje verplaatst maar afgekeurd. De landelijke Achtergrondwaarden zijn in de Regeling bodemkwaliteit vastgelegd op basis van de 95-percentiel-waarden van de gegevens uit het AW2000-project, afgerond naar boven.
PFAS behoorde nog niet tot de destijds geanalyseerde stoffen. Het RIVM heeft opdracht van het Ministerie van I&W om de 100 AW2000-locaties opnieuw te bezoeken en volgens dezelfde methodiek te bemonsteren en analyseren op PFAS, om vervolgens ook voor PFAS landelijke achtergrondwaarden te kunnen vaststellen. De resultaten hiervan worden in de zomer van 2020 verwacht.
Vooruitlopend hierop heeft het RIVM op 28 november 2019 een advies uitgebracht voor tijdelijke landelijke achtergrondwaarden voor PFAS (lit. 2), gebaseerd op een compilatie van diverse onderzoeken naar PFAS uit verschillende delen van Nederland. Als veilige benadering is het RIVM daarbij uitgegaan van de 80-percentielwaarden van PFOA en PFOS, omdat de toen beschikbare onderzoeken ongelijk over het land verdeeld zijn.
Op basis daarvan zijn in het tijdelijk handelingskader van 29 november 2019 (lit. 3) de volgende voorlopige achtergrondwaarden opgenomen:
voor alle individuele PFAS: 0,8 μg/kgds met uitzondering van PFOS
voor PFOS: 0,9 μg/kgds
Inmiddels heeft het RIVM het onderzoek naar de landelijke achtergrondwaarden van PFAS in de Nederlandse bodem afgerond (lit. 5). Op basis van de 95-percentielwaarden van 100 meetpunten in het onverdachte buitengebied heeft het RIVM de definitieve landelijke achtergrondwaarden bepaald. Daarbij zijn alleen meetpunten gebruikt die op meer dan 50 km van de fabriek van Dupont-Chemours in Dordrecht liggen.
De definitieve achtergrondwaarden zijn als volgt:
PFOA (som lineair + vertakt): 1,9 μg/kgds
PFOS (som lineair + vertakt): 1,4 μg/kgds
De overige onderzochte PFAS worden meestal niet boven de detectiegrens aangetoond.
Het tijdelijk handelingskader voor PFAS en de hierin opgenomen toepassingswaarden waaronder de voorlopige achtergrondwaarden hebben nog geen formele juridische status. Naar verwachting worden pas in april 2021 achtergrondwaarden voor PFAS opgenomen in de landelijke regelgeving (Regeling bodemkwaliteit).
Toelichting op de term ‘achtergrondgehalten’
In het voorwoord van de rapportage van het AW2000-project (lit. 7) wordt het begrip ‘achtergrondgehalten’ als volgt gedefinieerd:
Achtergrondgehalten:
De gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.
In de achtergrondgehalten zoals gepresenteerd in dit rapport zijn dus bijvoorbeeld de effecten op de bodemkwaliteit van landbouwkundig handelen (bijvoorbeeld zware metalen in mest, gebruik van bestrijdingsmiddelen) meegenomen. Tevens zijn de effecten van diffuse belasting meegenomen, ook als dit met name om regionale effecten gaat (bijvoorbeeld zware metalen in de Kempen en in het Hollands veenweidegebied). De invloed van lokale verontreinigingsbronnen is expliciet uitgesloten door het stellen van een serie voorwaarden, zoals de afstand tot sloten, hoogspanningsleidingen, afrasteringen en wegen. (…) In het kader van het project AW2000 is de term ‘achtergrondgehalten’ dus nadrukkelijk niet gekoppeld aan de van nature voorkomende gehalten.
(…)
Tenslotte een opmerking over ‘het achtergrondgehalte’. Dit onderzoek is er op gericht om de verdeling van achtergrondgehalten – volgens de hierboven gegeven omschrijvende definitie – in de Nederlandse bodem vast te stellen. Er is in dit rapport dus géén sprake van één achtergrondgehalte voor een stof, maar van een verdeling van gehalten.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1