Naar hoofdinhoud
In bijlage 1 is beschreven dat met gestratificeerd aselecte steekproeven 100 locaties in het buitengebied van Zeeland zijn bepaald met het oog op de berekening van de achtergrondwaarden van PFAS in Zeeland. Vanwege de toestemming tot locaties heeft de gemeente Noord-Beveland de 5 meetpunten uit de steekproef verplaatst naar locaties bij de bebouwde kernen die in eigendom van de gemeente zijn, meestal (voormalige) sportvelden. Deze meetpunten worden daarom niet meegenomen in de bepaling van de provinciale achtergrondwaarden. Voor de bodemkwaliteitskaart blijven ze overigens wel bruikbaar. Verder komt 1 locatie in de gemeente Goes te vervallen. Aangezien er geen toestemming was om op de oorspronkelijke locatie te boren is dit meetpunt verplaatst naar de rand van een nabij gelegen pad. Mede omdat op deze locatie hogere gehalten PFAS zijn gemeten is ervoor gekozen om ook dit meetpunt niet mee te nemen in de berekening van de achtergrondwaarden (maar wel in de bodemkwaliteitskaart). De achtergrondwaarden in Zeeland zijn derhalve gebaseerd op 94 in plaats van 100 meetpunten. Het effect hiervan is verwaarloosbaar. PFOA en PFOS worden meestal boven de detectiegrens aangetoond. Het ruimtelijke patroon van de gehalten PFOA en PFOS in de bovengrond van deze 94 meetpunten is in kaart weergegeven in bijlage 2A en 2B. Daarbij is uitgegaan van de som van de lineaire en de vertakte vorm van PFOA en PFOS. Een deel van de gegevens bij PFOA-vertakt en PFOS-vertakt is kleiner dan de detectiegrens van 0,1 μg / kgds. In dat geval schrijft de Regeling bodemkwaliteit voor dat in sommaties gerekend wordt met 0,7 x detectiegrens. De statistische kengetallen van deze dataset voor de achtergrondwaarden van Zeeland zijn opgenomen in bijlage 5A (bovengrond) en 5B (ondergrond). Op basis van de 95-percentielwaarden van de bovengrond zijn de achtergrondwaarden voor PFOA en PFOS in Zeeland als volgt: PFOA (som lineair + vertakt): 1,2 μg/kgds PFOS (som lineair + vertakt): 1,2 μg/kgds Deze provinciale achtergrondwaarden zijn hoger dan de voorlopige achtergrondwaarden uit het tijdelijk handelingskader uit november 2019, maar lager dan de definitieve achtergrondwaarden uit het tijdelijk handelingskader PFAS van 2 juli 2020. De overige PFAS worden zelden of nooit boven de detectiegrens van 0,1 μg/kgds aangetoond. Aanvullend kunnen voor de volgende PFAS achtergrondwaarden worden bepaald op basis van de 95-percentielwaarden: PFBA: 0,3 μg/kgds PFPeA: 0,1 μg/kgds PFHxA: 0,1 μg/kgds PFHpA: 0,1 μg/kgds Bij de overige PFAS is in meer dan 95% van de gevallen geen gehalte boven de detectiegrens aangetoond. In de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) worden ook voor PFOA en PFOS in de meeste gevallen geen gehalten boven de detectiegrens aangetoond. Ter toelichting op de bijlagen met statistische kengetallen het volgende: De volgorde en nummering van de verschillende PFAS sluit aan bij de nummering op de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019; De analyseresultaten van PFAS worden in het algemeen gerapporteerd op 1 decimaal nauwkeurig. De uitkomsten van de statistische berekeningen zijn daarom ook op 1 decimaal nauwkeurig afgerond in de bijlagen; Volgens het tijdelijk handelingskader (lit. 3) vindt net als bij PAK alleen een bodemtypecorrectie plaats bij percentages humus (organische stof) hoger dan 10%. Volledigheidshalve zijn ook de statistische kengetallen voor humus vermeld. Aangezien de humuspercentages in het algemeen lager zijn dan 10% is een bodemtypecorrectie normaliter niet aan de orde.

Rechtspraak bij dit artikel