Uit de wet volgt dat de regelgeving is bedoeld als een uiterste redmiddel. Artikel 151d lid 2 van de Gemeentewet regelt dat de burgemeester alleen dan handhavend kan optreden wanneer er geen andere geschikte manier is om de overlast aan te pakken.
Bij een besluit om op grond van deze bepalingen handhavend op te treden moet de burgemeester motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten zijn om de woonoverlast tegen te gaan. Dat kan door aan te tonen dat andere middelen niet het gewenste effect hebben gehad op het voorkomen en/of verminderen van de woonoverlast. Aan het besluit moet daarom een uitgebreid dossier ten grondslag liggen waaruit blijkt dat andere instrumenten zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat. Bij het huisverbod als bedoeld in artikel 151d lid 3 van de Gemeentewet geldt dit in zeer sterke mate. Deze maatregel brengt een inbreuk op het grondwettelijk beschermde woonrecht met zich mee en is alleen mogelijk wanneer én de ernst van de situatie dit vereist én er geen enkele andere optie mogelijk is.
Een gedragsaanwijzing of een huisverbod is een ingrijpende maatregel, die daarmee niet lichtvaardig wordt ingezet. Maar ook het ervaren van regelmatige, ernstige, overlast in de eigen woning is zeer onwenselijk. De burgemeester zal in een voorkomend geval de belangen van de overlastgever en die van een bewoner of de gemeenschap die er last van heeft zeer zorgvuldig afwegen.