In dit statuut wordt verstaan onder:
Daggeld: Opname of uitzetting van geldmiddelen voor zeer korte termijn, van één dag tot één week
Deposito: Niet-verhandelbare belegging bij een bank, waarbij een bedrag voor een vaste periode tegen een vast rentepercentage wordt weggezet.
Derivaten: Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Deze onderliggende waarden kunnen reële producten zijn zoals grondstoffen, of financiële producten zoals effecten. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden onder andere gebruikt om valuta- en renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren.
Financiering: Het aantrekken van middelen voor de dekking van vermogensbehoefte.
Geldlening met uitgestelde storting: Hiervan is sprake indien een geldlening wordt aangetrokken waarvan de hoofdsom niet op het moment van aangaan van de leningsovereenkomst wordt gestort doch in de toekomst wordt gestort maar waarvan het rentepercentage op het moment van het aangaan van de leningsovereenkomst wordt vastgelegd.
Geldstromenbeheer: Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer).
Gemeentegarantie / borgstelling: Is een overeenkomst waarbij de gemeente zich verplicht om de prestatie die een derde moet verrichten ten opzichte van een schuldeiser zelf (deels) na te komen indien de derde (schuldenaar) in gebreke blijft.
Interest (of rente): De vergoeding die in rekening gebracht wordt voor het tijdelijk beschikbaar stellen van liquiditeiten (het lenen). De entiteit die de beschikkingsmacht over de liquiditeiten afstaat is de crediteur. De entiteit die de beschikkingsmacht tijdelijk verkrijgt is de debiteur. De interest wordt veelal uitgedrukt in een percentage van de hoofdsom op jaarbasis. Interest is daarbij een vorm van huur.
Kasgeldlimiet: Een bedrag op basis van de Wet Fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar.
Liquiditeitspositie: De mate waarin op korte termijn aan de opeisbare verplichtingen kan worden voldaan.
Rating: De inschatting van de kans op eventuele wanbetalingen bij toekomstige rente- en aflossingsbetalingen op schuldpapier.
Renteconversie: Tussentijdse aanpassing van de contractuele rente.
Renterisiconorm: Een bedrag op basis van de Wet Fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar.
Rentestructuur: Patroon van onderlinge verschillen in rentepercentage, ontstaan door looptijdverschillen van de verschillende vermogenstitels en door renteverwachtingen.
Rentetypische looptijd: Looptijd tussen twee renteconversie momenten.
Rentevisie: Toekomstverwachting over de renteontwikkeling, uitgaande van een aantal rentebepalende factoren, op basis waarvan een financierings-en beleggingsbeleid wordt gevoerd.
Saldo rentecompensatie circuit: De debet- en credit valutaire saldi van meerdere rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo; over dit gecombineerde saldo berekent de bank de te betalen of ontvangen rente. Een en ander is echter alleen mogelijk wanneer de organisatie deze rekeningen bij één bank aanhoudt.
Schatkistbankieren: Decentrale overheden zijn verplicht tijdelijk overtollige liquide middelen welke een bepaalde grens te boven gaan, aan te houden bij het Ministerie van Financiën.
Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.
Vastrentende waarden: Vermogenstitels met een vaste renteopbrengst.
Artikel 1.