Op grond van artikel 5:32b Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn er drie soorten dwangsommen:
1.een bedrag ineens;
Deze vorm wordt voornamelijk toegepast in situaties waarin een overtreder door het verrichten van een handeling de overtreding voor een bepaalde datum kan beëindigen. Bijvoorbeeld bij het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk. Het voordeel is dat men slechts één controlemoment hoeft in te plannen om te constateren of de overtreding beëindigd is.
2.een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd;
Deze vorm wordt voornamelijk toegepast bij gedragingen waarbij sprake is van een continue c.q. langdurige niet afzonderlijk te constateren overtreding. De overtreder is constant in overtreding. Deze vorm is bij uitstek geschikt voor situaties waar in strijd met de bestemmingsplanvoorschriften opstallen of gronden worden gebruikt.
3.een bedrag per overtreding van de last.
Indien regelmatig overtredingen plaatsvinden, die elk op zichzelf geen continu karakter hebben en tot individuele op zichzelf staande gedragingen zijn terug te leiden, kan, bijvoorbeeld ter voorkoming van herhaling van die gedragingen, gekozen worden voor het opleggen van een dwangsom per individueel geconstateerde overtreding. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om overtredingen waarbij een stilleggingsbesluit wordt genegeerd.
Preventieve dwangsom
Het is niet altijd noodzakelijk dat er al sprake is van een feitelijke overtreding voordat een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Ook in situaties waar sprake is van een klaarblijkelijk gevaar van een overtreding in de toekomst (bijvoorbeeld bij het stilleggen van bouwwerkzaamheden zonder of in strijd met de vergunning of bij voorgenomen sloopwerkzaamheden zonder noodzakelijke asbestinventarisatie), kan ook vooraf een (preventieve) last onder dwangsom (of last onder bestuursdwang) worden opgelegd. Dit is geregeld in artikel 5:7 Awb .
Begunstigingstermijn
Een last onder dwangsom omvat, naast de te nemen herstelmaatregelen ook een termijn waarbinnen de overtreder de door het bestuursorgaan opgelegde lastgeving kan uitvoeren zonder dat deze het dwangsombedrag verbeurt (artikel 5:32a, lid 2 Awb). Dit is de begunstigingstermijn.
Volgens vaste rechtspraak geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn het uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding op te heffen (zie ABRS, 24 december 2013, 201302962/1/A1). De standaard begunstigingstermijn wordt in beginsel vastgesteld op 6 weken. Voor de handhaving op permanente bewoning van recreatiewoningen wordt in beginsel uitgegaan van een standaard begunstigingstermijn van 6 maanden. Bij overige onrechtmatige bewoning van een perceel/bouwwerk wordt een standaard begunstigingstermijn van 3 maanden gehanteerd.
De begunstigingstermijn kan op basis van feiten en omstandigheden worden aangepast (zowel korter als langer). In gevallen waar de (brand)veiligheid of volksgezondheid in het geding zijn, zal de termijn veelal korter zijn, gelet op de ernst van het overtreden voorschrift en de onomkeerbaarheid van de eventuele gevolgen. In gevallen waar het aantoonbaar meer tijd kost om de overtreding te beëindigen zal er een langere termijn worden gegeven.
Indien er bezwaar of een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend tegen het besluit om een last onder dwangsom op te leggen, wordt de begunstigingstermijn in principe verlengd. De verlenging geldt dan in de regel tot 6 weken na de beslissing op bezwaar dan wel de uitspraak van de voorzieningenrechter.
Indien beroep wordt ingesteld, wordt de begunstigingstermijn in principe niet verlengd tot na de behandeling van het beroep.
Wanneer er sprake is van een spoedeisend acute situatie, wordt er geen last onder dwangsom opgelegd maar wordt direct (spoed)bestuursdwang toegepast. In dat geval wordt geen, respectievelijk een zeer korte begunstigingstermijn geboden. Verlenging van de termijn bij het indienen van bezwaarschrift of een verzoek om een voorlopige voorziening vindt dan evenmin plaats.
Er wordt evenmin een begunstigingstermijn opgelegd bij lastgevingen die strekken tot voorkoming van herhaling van een overtreding. Dit vloeit voort uit artikel 5:32a lid 2 van de Awb en jurisprudentie. Er kunnen zich echter toch bijzondere omstandigheden voordoen die ook bij een lastgeving ter voorkoming van herhaling een termijnstelling noodzakelijk maken (zie ABRS 24 oktober 2010, AB 2002, 147). Dit zal dan een uitzondering zijn. De hoofdregel is dat in dergelijke situaties geen termijn wordt geboden maar de last direct in werking treedt.
Hoofdstuk 11
Artikel 11.2