Naar hoofdinhoud
Net zoals er een beginselplicht tot handhaven is, is ook een beginselplicht tot invorderen van de verbeurde last onder dwangsom door de Raad van State geformuleerd. Indien een belanghebbende een aan hem door een bestuursorgaan opgelegde last onder dwangsom overtreedt, dan verbeurt hij de opgelegde dwangsom van rechtswege. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Deze bijzondere omstandigheden komen nagenoeg nooit voor, ondanks dat vrijwel elke overtreder meent dat er in zijn geval toch écht sprake is van bijzondere omstandigheden. Financiële problemen van de overtreder, vinden dat de dwangsom ‘onredelijk’ hoog is, gedeeltelijk hebben voldaan aan de last, alsmede het later alsnog voldoen aan de last zijn géén redenen om van invordering af te zien. In één geval gaf de rechter aan dat een deel van de dwangsom niet ingevorderd mocht worden, omdat de overtreder een betreffende asbestsanering wel op tijd en op de juiste wijze had uitgevoerd, maar alleen de sloopmelding in plaats van één week van te voren slechts twee dagen van te voren had gedaan. Volgens de rechter was dit aspect, ten opzichte van alle andere aspecten waarvoor de last onder dwangsom was opgelegd, niet zwaarwegend genoeg om alsnog de volledige dwangsom van € 25.000,- te verbeuren. De overtreder moest overigens wel € 10.000,- betalen voor de melding die vijf dagen te laat was ingediend. Om te voorkomen dat de last onder dwangsom verwordt tot een papieren tijger, moeten verbeurde dwangsommen dus (vrijwel) altijd ingevorderd worden. De taak tot invordering ligt bij de gemeente.

Rechtspraak bij dit artikel