Een terugvordering moet worden ingevorderd. Of het college overgaat tot invorderen is afhankelijk van de individuele omstandigheden en eventuele dringende redenen om af te zien van invordering.
Wanneer er tot invordering wordt overgegaan bestaan er verschillende mogelijkheden zoals verrekening, betaling, vereenvoudigd derdenbeslag of beslag op bezittingen of het uitwinnen van zekerheden. Als er effectiever ingevorderd wordt, zijn de baten het grootst en de uitvoeringskosten het kleinst. Zo kan het uitbesteden aan de gerechtsdeurwaarder van de incasso van vorderingen van wanbetalers een kosten besparing zijn op de uitvoeringskosten.
In veel gevallen zal het invorderingsbesluit gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit kenbaar worden gemaakt. Dit betekent dat in een terugvorderingsbeschikking ook wordt opgenomen de wijze waarop de vordering moet worden voldaan.
Voor zover de debiteur vermogen heeft kan hij dit aanwenden om de terugvorderingsschuld ineens te voldoen. Heeft hij dit niet of onvoldoende dan kan hij in termijnen betalen. Het college zal de termijnbedragen zo moeten vaststellen dat de debiteur ten minste over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet blijft beschikken. Het is niet wenselijk om een debiteur langer dan 36 maanden op een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet aangewezen te laten zijn. Dit is de maximale duur bij een schuldsaneringsregeling op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (wsnp).
Dit is overigens niet aan de orde, indien de terugvorderingsschuld het gevolg is van fraude. Een streng invorderingsbeleid bij misbruik draagt bij aan een effectieve fraudebestrijding.
AFLOSSINGSPERCENTAGE invordering
Indien belanghebbende een bijstandsuitkering ontvangt:
Is de aflossingscapaciteit per maand op een vordering op grond van artikel 58, lid 1 PW en artikel 25, lid 1 IOAW/IOAZ (schending inlichtingenplicht) in principe 5% van de geldende bijstandsnorm, rekening houdend met de beslag vrije voet.
Is de aflossingscapaciteit per maand op alle andere vordering in principe 5% van de geldende bijstandsnorm, rekening houdend met de beslag vrije voet.
Indien door derden beslag wordt gelegd op de uitkering wordt de aflossing op 5% van de geldende bijstandsnorm vastgesteld, rekening houdend met de beslag vrije voet.
Indien belanghebbende geen bijstandsuitkering ontvangt geldt in principe een aflossingsnorm tot aan de beslagvrije voet van 95% (uitgaande van de wijziging van het beslagrecht vanaf 1-1-2021).
De beslagvrije voet is in Nederland het bedrag dat bij inkomensbeslagen moet worden vrijgelaten. Dit is een minimum aan inkomen dat de beslagene ter beschikking staat voor zijn of haar levensonderhoud. De beslagvrije voet is in principe gesteld op 95% van de bijstandsnorm. Er zal worden nagegaan hoeveel geld de beslagene zou krijgen als hij bijstand zou ontvangen, en hiervan zal men 95% moeten nemen. Het meerdere zal men moeten aflossen op de vordering.
2.4.1 Verrekenen
Het college maakt gebruik van de mogelijkheid de inkomsten die belanghebbende in de
6 voorafgaande maanden heeft ontvangen, te verrekenen met de algemene bijstand (artikel 58, lid 4 Participatiewet). Voor de IOAW/IOAZ geldt de verrekeningsmogelijkheid van inkomsten die zijn ontvangen in de 3 voorafgaande maanden (artikel 25, lid 4 IOAW/IOAZ)
Verder kan het college gebruik maken van de volgende verrekeningsmogelijkheden:
de toegekende Individuele inkomenstoeslag in mindering brengen op openstaande vorderingen,
indien het college is veroordeeld tot het betalen van proceskosten, deze kosten in mindering brengen op openstaande vorderingen