Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.2

Indicatoren

Onderdeel van Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Utrecht

De volgende omstandigheden geven aanleiding tot het vermoeden dat er sprake is van een ernstige situatie c.q. van drugshandel in georganiseerd verband: De hoeveelheid en soort aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet. De aangetroffen middelen, in hoeverre sprake is van handelshoeveelheden van verschillende middelen, de combinatie van soft- en harddrugs, weegt mee in het oordeel van de mate van professionaliteit en dus de ernst van de situatie. In dit verband wordt aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet en de Richtlijnen voor strafvordering Opiumwet. Het aantreffen van een handelshoeveelheid is op zichzelf al voldoende om aan te nemen dat er van handel sprake is. Daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking hoeft niet aangetoond te worden. De mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. Hierbij kan worden gedacht aan (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht, of het aantreffen van attributen die op handel in verdovende middelen wijzen, zoals weegschalen, grote hoeveelheden contant geld, versnijdingsmiddelen of verpakkingsmaterialen in de woning. In gevallen van een kwekerij kan ook de duur en de hoeveelheid planten iets zeggen over de bekendheid van het pand. Hoe langer en groter heeft immers tot gevolg dat meer mensen ervan moeten hebben geweten als het gaat om opzet van de kwekerij en een afzet van de hennep. Geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan het pand. Hierbij kan gedacht worden aan personen die in het pand worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit gedurende de afgelopen vijf jaar, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond. Vermoedens van verwijtbaar gedrag van eigenaren/(ver)huurders. Hierbij wordt gedacht aan de mate van betrokkenheid bij de overtreding en de genomen maatregelen om misstanden te voorkomen. Aangesloten wordt bij de geldende jurisprudentie dat van eigenaren/(ver)huurders verwacht mag worden dat zij tot op zekere hoogte controles uitvoeren die zich richten op het feitelijk gebruik van het pand Betrokkenen of betrokkenheid bij personen met antecedenten. Bij deze indicator worden aantoonbare relaties van bewoners/betrokkenen met personen die bij de politie bekend staan als drugshandelaren, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit beoordeeld. Hierbij zijn de antecedenten van die personen onderdeel van de beoordeling. Verkeert betrokkene in een kring van personen met antecedenten? De mate van gevaar of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n). Hierbij kan allereerst worden gedacht aan een buurt waarin het pand zich bevindt. Ligt het betrokken pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk, dan kan worden overwogen dat een drugsvondst sneller het toch al broze woon- en leefklimaat in gevaar brengt. Ook kan aantoonbare (drugs)overlast met betrekking tot het pand of andere panden van de eigenaar een rol spelen. Er is sprake van recidive Hiervan is sprake wanneer het een herhaling van feiten betreft op dezelfde locatie binnen een periode van 5 jaar. De aannemelijkheid dat de woning niet overeenkomstig de woonfunctie wordt gebruikt. De feitelijk aangetroffen situatie speelt hierin de doorslaggevende rol. Wordt de woning nog gebruikt als woning? Staan er mensen ingeschreven? Etc. De aannemelijkheid dat behalve de woning of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugshandel in georganiseerd verband of als aanwezigheid van drugs hierop duidt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het aantal betrokken personen of bijvoorbeeld de omvang van het politieonderzoek. Overige feiten of omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband. Bijvoorbeeld verklaringen of meldingen van getuigen, omwonenden, gebruikers, handelaren en dergelijke. In aanvulling op voorgaande indicatoren, wordt in de situatie dat weliswaar geen verdovende middelen in het betreffende pand zijn aangetroffen, maar wel sprake is van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs zoals hiervoor bedoeld, rekening gehouden met de volgende indicatoren: De aard en hoeveelheid van de aangetroffen stoffen of goederen. Hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, bepaalde apparatuur en/of artikelen waarvan het, mede gezien de aard van de goederen, de aangetroffen hoeveelheid en/of de combinatie met andere goederen, aannemelijk is dat deze zijn bestemd voor het bereiden, bewerken of vervaardigen van drugs. De mate waarin de overtreder weet of het ernstige vermoeden heeft of had moeten hebben dat de aangetroffen stoffen of goederen bestemd zijn tot het plegen van de in het vierde of vijfde lid van artikel 10 en/of de in het derde en vijfde lid van artikel 11 Opiumwet gestelde strafbare feiten. De mate van beroeps- en/of bedrijfsmatigheid, als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet. In dit verband wordt aangesloten bij de Aanwijzing Opiumwet en de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs, van het Openbaar Ministerie, waarin deze begrippen nader zijn ingevuld. Voor beroeps- of bedrijfsmatigheid is de mate van professionaliteit en het doel van de teelt van belang. In bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet is een lijst opgenomen met indicatoren aangaande de professionaliteit: als aan twee of meer punten van hoge professionaliteit op die lijst is voldaan, wordt, beroeps- of bedrijfsmatig handelen aangenomen. Ook indien er sprake is van het telen van hennep met geldelijk gewin als doel, wordt aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel