Naar hoofdinhoud
1.. Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand, voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van belanghebbende uitgaan boven de bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn of de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken. 2.. Bijzondere bijstand wordt slechts dan verleend, indien de jongere beschikt over zelfstandige huisvesting én zelfstandige huisvesting noodzakelijk is. 3.. De aanvullende bijzondere bijstand is samen met de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, van de wet niet hoger dan 50 procent van de norm gehuwden zoals bedoeld in artikel 21, sub b, van de wet. 4.. De aanvullende bijzondere bijstand is samen met de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder b, van de wet niet hoger dan 70 procent van de norm gehuwden zoals bedoeld in artikel 21, sub b, van de wet. 5.. De aanvullende bijzondere bijstand is samen met de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder c, van de wet niet hoger dan 80 procent van de norm gehuwden zoals bedoeld in artikel 21, sub b, van de wet. 6.. Er kan bijzondere bijstand worden verleend met toepassing van artikel 16 van de wet ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die zelf minderjarig is. De hoogte van de bijstand bedraagt 20 procent van de norm gehuwden zoals bedoeld in artikel 21, sub b, van de wet. 7.. De bijstand, bedoeld in het zesde lid, wordt beëindigd op het moment dat de minderjarige alleenstaande ouder achttien jaar wordt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel