Bij het gebruik maken van de ontheffingsbevoegdheid moet ik er voor zorgen dat geen strijdigheid ontstaat met de aan mij bij de Gemeentewet opgedragen taak betreffende het handhaven van de openbare orde. Met andere woorden: ik mag slechts ontheffing van de sluitingstijden verlenen als in redelijkheid mag worden aangenomen dat er daardoor geen verstoring van de openbare orde zal optreden.
Voorts moeten uiteraard de beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen.
Aangezien de voorliggende beleidsregels betrekking hebben op de sluitingstijden zoals bepaald in de APV, moet ook bij het verlenen van ontheffingen worden uitgegaan van de belangen die worden beoogd te worden beschermd door middel van de APV. Dat zijn in ieder geval de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, de bescherming van het milieu en de verkeersveiligheid.
De APV is echter ook deels gebaseerd op artikel 25c van de Drank- en Horecawet. In dat artikel is bepaald, dat het bevoegd gezag bij verordening regels kan stellen betreffende de tijden waarop, anders dan om niet, zwak-alcoholhoudende drank mag worden verstrekt. Bij het stellen van regels ten aanzien van sluitingstijden en het te voeren beleid daarover moet dus tevens rekening worden gehouden met de doelstelling van de Drank- en Horecawet: het stellen van regels aan het gebruik van alcoholhoudende drank vanuit een sociaal-hygiënisch en sociaal-economisch oogpunt.