Het college stelt de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 3 vast op grond van in ieder geval de volgende criteria:

•. er is door de subsidieontvanger aantoonbaar maximaal gestuurd om uitgaven te beperken en / of inkomsten te behouden;

•. de subsidie-ontvanger heeft maximaal gebruik gemaakt van voorliggende Rijks- of andere (bijvoorbeeld provinciale) regelingen en ligt dit vast in een verklaring;

•. de subsidieontvanger heeft het college van de wijzigingen tijdig op de hoogte gesteld;

•. commerciële activiteiten en / of voor variabele kosten worden buiten beschouwing gelaten.