Indien de belanghebbende binnen één maand nadat hem de beschikking waarin het besluit tot het verlagen van de uitkering, als bedoeld in artikel 18, 4 e , 5 e , 6 e , 7 e of 8 e lid van de PW en met toepassing van de Afstemmingsverordening, is medegedeeld uit houding en gedragingen ondubbelzinnig laat blijken de verplichtingen, genoemd in het 4 e lid van artikel 18 PW nu wel na te komen, wordt de hoogte van de toegepaste verlaging herzien tot de helft van de toegepaste verlaging.