Ondersteuning bij een arbeidsmatige invulling wordt geboden indien betrokkene vanwege beperkingen niet in staat is om te functioneren in vormen van reguliere arbeid of vrijwilligerswerk. Hierbij wordt altijd eerst gekeken wat het individuele perspectief is op (begeleid) werk of vrijwilligerswerk. Onder reguliere arbeid wordt ook verstaan alle vormen van ondersteuning die via de Participatiewet worden geboden. Daarbij wordt in elk geval afgewogen in hoeverre betrokkene een begeleide en gestructureerde omgeving nodig heeft om werkzaamheden uit te voeren.
Elementen die bij deze weging worden betrokken zijn:
Er is een lage score op maatschappelijke participatie en dagbesteding via de zelfredzaamheidsmatrix of een opvolger daarvan, zoals het Wat-telt-instrument;
Betrokkene is onvoldoende in staat om eigen dagstructuur te organiseren;
Betrokkene heeft een gering lerend vermogen;
Betrokkene is niet in staat zelfstandig te functioneren in reguliere arbeid, arrangementen onder de Participatiewet of vrijwilligerswerk;
Betrokkene is niet, of nauwelijks, in staat om afspraken na te komen. Ook niet met hulp van het sociale netwerk.
Deze vorm van ondersteuning wordt geboden aan personen met fysieke en/of cognitieve, psychische, verstandelijke beperkingen, verslaving, gedragsproblematiek. Deze beperkingen moeten tot gevolg hebben dat andere vormen van activering structureel onmogelijk zijn omdat er sprake is van beperkt lerend vermogen. Deze voorziening heeft de vorm van het oefenen en uitvoeren van handelingen, vaardigheden en het structureren van de dag. Arbeidsmatige activering is een groepsgerichte activiteit, waarin deelnemers met elkaar een productie of dienst leveren. De resultaten die behaald worden met arbeidsmatige activering zijn:
Deelnemers hebben door werkstructuur en -ritme een gevoel van veiligheid en kunnen zich ontwikkelen;
Deelnemers kunnen beter structuur geven aan hun dagen;
Deelnemers ontwikkelen een ambitie om te werken binnen de eigen mogelijkheden;
Deelnemers hebben meer sociale contacten en doen meer mee in de samenleving;
Deelnemers ontwikkelen vakgerichte competenties en werknemersvaardigheden.
De toegang tot arbeidsmatige activering wordt verzorgd door een medewerker van het buurtteam. Het buurtteam geeft de toewijzing af, met daarin de module en de trajectduur. Dit gebeurt in overleg met de aanbieders activering die het buurtteam adviseren.
Het verschilt per deelnemer hoeveel dagdelenpassend zijn. Er zijn daarom drie verschillende modules, zodat iedereen geactiveerd wordt in de intensiteit die bij diens mogelijkheden past:
Module 1: twee dagdelen
Module 2: gemiddeld vier dagdelen
Module 3: gemiddeld zeven dagdelen
De criteria op basis waarvan een module wordt gekozen zijn:
De mate van wekelijkse inzetbaarheid en belastbaarheid
De mate waarin er sprake is van een ontwikkelperspectief in arbeid.
De al bestaande verworven eigen competenties
De mate waarin er sprake is van respijt bieden aan mantelzorg in de huidige thuissituatie.
De mate waarin andere vormen van zorg een beroep doen op de belastbaarheid
De mate van sociaal isolement.
Het buurtteam weegt bovenstaande criteria af om te komen tot een toewijzing. Er geldt altijd een proefperiode van 3 maanden. De zorgtoewijzing kan voor een bepaalde of voor een onbepaalde duurzijn. Aanbieder en buurtteams maken altijd afspraken over evaluatiemomenten zodat – ook in geval van een traject met onbepaalde duur – bepaald kan worden of de doelen in het ondersteuningsplan bereikt worden. Tijdens deze evaluatie wordt ook besproken of een overstap gemaakt kan worden naar aan algemene voorziening of juist een andere vorm van maatwerk. In ieder geval geldt dat de ondersteuning moet worden beëindigd als een deelnemer minder dan 60% aanwezig is (‘no show’).
HOOFDSTUK 6. › Paragraaf 6.6
Artikel 6.6.1
Afwegingskader arbeidsmatige activering
Onderdeel van Beleidsregel Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Utrecht 2021