Naar hoofdinhoud
De nota IHP is geschreven met een doorkijk van 16 jaar. De financiële uitwerking van het beleid is voor de eerste 4 jaar uitgewerkt in de voorgaande hoofdstukken. Voor de volgende vierjaarstermijn zal een actualisatie van het IHP en onderliggende gegevens noodzakelijk zijn. Daarbij valt te denken aan de volgende gegevens: Demografische gegevens in de vorm van leerlingprognoses, waarbij toekomstige woningbouwlocaties worden meegewogen Technische schouw van de schoolgebouwen waarin o.a. de onderhoudskwaliteit, duurzaamheid en Frisse Scholen betrokken worden, evenals de MJOP’s van de scholen Beoordeling op onderwijskundige aspecten De laatste informatie uit het integraal accommodatiebeleid ten aanzien van het perspectief Normbedrag in samenhang met wettelijke aanpassingen van het bouwbesluit en de actuele indexpercentages Met deze input zal dan opnieuw gezamenlijk bepaald worden voor welke onderwijslocaties maatregelen nodig zijn en wordt de planning van deze maatregelen in overleg bepaald. Daartoe zullen de betrokken partijen met elkaar in overleg treden. Doorkijk naar volgende fases Voor de volgende drie fases is globaal ingeschat wat daarvoor aan middelen beschikbaar zou moeten zijn. Daarbij zijn de gegevens van de meest recente schouw betrokken om per school inzicht te krijgen in de benodigde maatregelen om tot minimaal BENG duurzaamheidsniveau te komen en welk kostenplaatje daarbij hoort. Uit de bedragen van de hiervoor besproken knelpunten blijkt, dat de investering soms aanzienlijk is en dat aansluiten bij de onderhoudscyclus veruit de voorkeur heeft, niet alleen vanuit praktisch perspectief maar ook vanuit kostenefficiëntie bekeken. Er is in dit stadium alleen gekeken naar het totaalbedrag van de gezamenlijke investering, niet naar de verdeling over de partijen (gemeente en schoolbestuur). Het CITAVERDE College is niet inbegrepen in deze verkenning, omdat deze school juridisch en financieel gezien nog geen verantwoordelijkheid van de gemeente is. Voor het gewenste duurzaamheidsniveau is via maatwerkscenario’s, en er van uit gaande dat het huidige aanbod aan scholen gehandhaafd blijft, bekeken wat er qua duurzaamheidsmaatregelen mogelijk is om, passend bij het toekomstperspectief van de school, te komen tot een zo duurzaam mogelijk schoolgebouw. Reden daarvoor is de terugverdientijd van de verschillende maatregelen. De terugverdientijd van de duurzaamheidsmaatregelen dienen te passen bij het toekomstperspectief voor de scholen. Bij het inschatten van de kosten voor de duurzaamheidsmaatregelen is verondersteld dat de onderhoudswerkzaamheden gelijktijdig met de duurzaamheidsmaatregelen worden uitgevoerd (kostenefficiënt). Daarnaast is het uitgangspunt dat de maatregelen in het kader van het Frisse Scholen-convenant zijn uitgevoerd. Vervolgens heeft aan de hand van de schouw, en tevens gekeken naar het laatste renovatiemoment dan wel het oprichtingsjaar, een globale toebedeling naar de vervolgfases plaats gevonden. Daarbij is fase 2 de eerstvolgende fase, die zal lopen van 2024-2027. Fase 3 omvat de volgende vier jaren, dus 2028-2031 en tenslotte fase 4 voor de jaren 2032-2035. Dat heeft geleid tot een geschat totaalbedrag voor het uitvoeren van maatregelen voor groot onderhoud dan wel renovatie in combinatie met het tegelijkertijd verduurzamen van de school. Op die manier zijn in 2035 alle scholen verduurzaamd. Het bijbehorende kostenplaatje ligt dan tussen € 30 miljoen en € 35 miljoen voor de fases 2 t/m 4 (m.u.v. CITAVERDE) waarbij de schoolbesturen gereserveerde middelen uit hun onderhoudsgelden inbrengen naast de investering door de gemeente. Dat is een ruime marge en de bedragen zijn gebaseerd op prijspeil 2020. De toekomstige schouwmomenten zullen mede de prioritering gaan bepalen, naast de, in het begin van dit hoofdstuk, genoemde geactualiseerde gegevens. Afhankelijk van o.a. demografische verschuivingen, maar ook aanpassingen in beleid en/of wetten, kan hier in de toekomst mogelijk anders naar gekeken worden. Belangrijk is om als partijen samen te blijven kijken naar de ontwikkeling van onderwijs, en daaraan gekoppeld de onderwijshuisvesting. Voor de volgende fases zijn onderstaande scholen in beeld: Basisschool de Wouter OBS de Samensprong Basisschool de Driehoek Basisschool Megelsheim Basisschool de Bottel Basisschool de Schakel Basisschool Onder de Linde Basisschool de Brink Basisschool de Kameleon Basisschool de Twister Dendron College Zoals al eerder opgemerkt, valt het CITAVERDE College voorlopig nog niet onder gemeentelijke verantwoordelijkheid. Vandaar dat deze niet is opgenomen in de doorkijk. De in dit hoofdstuk niet genoemde scholen, zijn in fase 1 reeds opgenomen of recent als tussentijdse maatregel uitgevoerd. Het onderhouden van de schoolgebouwen op de (opgeleverde) kwaliteit is primair een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Duurzaamheid Duurzaamheid is een maatschappelijke discussie gezien de relatie met het milieu en de klimaatissues. Diverse landen hebben zich doelen gesteld om te komen tot bv. vermindering van CO2-uitstoot en beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Deze doelen vinden hun vertaling in wetgeving per land. Ook Nederland zal de wetgeving hierop gaan aanpassen, zoals bv. in het Bouwbesluit (energieneutraal bouwen in de toekomst). Als gemeente krijgen we daar ook mee te maken, nu en in de toekomst. Vooruitlopend op - en al passend bij - de wetgeving heeft de gemeenteraad de ambitie uitgesproken om bij nieuwbouw van gemeentelijke accommodaties deze (bijna) energieneutraal te bouwen. In de aanpassing van het Bouwbesluit per 1 januari 2021 wordt BENG de ‘standaard’ voor nieuwe overheidsgebouwen. Duurzaamheid is een breed begrip. In de notitie duurzaamheid (bijlage 1 bij nota IHP) wordt het begrip beperkt tot de duurzaamheidsmaatregelen voor energie (inclusief isolatiemaatregelen) om de financiële kaders te bepalen. De realisatie van de energiebesparende maatregelen kunnen gekoppeld worden aan logische momenten in de onderhoudscyclus van de scholen, namelijk bij: groot onderhoud renovatie nieuwbouw De financiële verantwoordelijkheid voor het bekostigen van de duurzaamheidsmaatregelen is divers. Bij nieuwbouw is de gemeente financieel verantwoordelijk omdat het nieuwe gebouw moet voldoen aan de Bouwbesluiteisen en de normvergoeding is daarop aangepast. Bij het uitvoeren van werkzaamheden voor het plegen van groot onderhoud aan bestaande schoolgebouwen kan kostenefficiency bereikt worden door duurzaamheidsmaatregelen gelijktijdig uit te voeren. Het initiatief ligt dan bij de schoolbesturen. Bij renovatie is minder duidelijk hoe de kostenverdeling ligt, omdat daar een vermenging optreedt van groot onderhoud en (ver)nieuwbouw met als doel om de levensduur van het gebouw substantieel te verlengen (minimaal 25 jaar). Het uitgangspunt bij renovatie is dat er een kwaliteitsniveau wordt bereikt dat gelijk is aan nieuwbouw. Voor definiëring van het begrip renovatie wordt verwezen naar de al eerder genoemde bijlage 1. Algemeen kan gesteld worden dat de levensduurverlenging door de gemeente bekostigd zal worden en de schoolbesturen bijdragen vanuit onderhoudsmiddelen en/of toekomstige exploitatiebesparing. Er zal altijd overleg plaatsvinden tussen gemeente en schoolbestuur in een dergelijke situatie. In de notitie wordt het standpunt ingenomen dat de gemeente een faciliterende rol zal gaan vervullen voor duurzaamheidsinvesteringen voor energiebesparing in bestaande schoolgebouwen. In de bekostiging van de investering voor de energiebesparende maatregelen kan de gemeente meedenken over financieringsmogelijkheden. Energiebesparende maatregelen zouden kunnen zijn (een niet-limitatieve opsomming): Bouwkundige maatregelen (isolatie vloeren / wanden / daken, HR++glas) Installatietechnische maatregelen (zonnepanelen, zonnecollectoren, luchtwarmtepomp, WKO, WTW) Duurzaamheid bij nieuwbouw – relatie met normvergoeding IHP In het nieuwe IHP is een nieuwe normvergoeding bepaald voor nieuwbouw/renovatie van scholen. Deze normvergoeding loopt vooruit op de wijziging in het Bouwbesluit per 1-1-2021 (schoolgebouwen dienen BENG te worden gebouwd). In het Bouwbesluit zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van o.a. het binnenklimaat in de scholen (vergelijkbaar met ‘Frisse Scholen’ – onderdeel gezondheid uit de GPR). Dit zijn minimale wettelijke eisen aan nieuwbouw. Aanpassingen in toekomstig vast te stellen Bouwbesluiten zullen mogelijk een verdere aanscherping van duurzaamheidseisen (milieu-aspect GPR) inhouden. Indien schoolbesturen extra duurzaamheidsmaatregelen willen bij nieuwbouw, boven de eisen van het Bouwbesluit2 In de Normvergoeding wordt gerekend met extra bouwkosten ad € 165/m² voor maatregelen om te komen tot een energieneutraal gebouw uitgaand, dan wordt dezelfde systematiek gevolgd als bij bestaande schoolgebouwen. Duurzaamheid bij groot onderhoud Bij groot onderhoud is er sprake van gepland regulier onderhoud door het schoolbestuur. In dat geval is het vaak wenselijk en efficiënt (qua kosten en werkplanning) om tegelijkertijd energiebesparende maatregelen ter verduurzaming uit te voeren. Echter, de gemeente mag, conform onderwijswetgeving, géén bijdrage verstrekken voor die werkzaamheden die vallen onder groot onderhoud. In de kosten voor verduurzaming kan de gemeente faciliterend optreden. Hoe dat kan worden geregeld, wordt verderop in deze notitie uitgewerkt. Duurzaamheid bijrenovatie(waarbij het kwaliteitsniveau gelijk wordt aan nieuwbouw) Bij renovatie (vernieuwbouw) wordt een schoolgebouw gerealiseerd/verbeterd zodat het voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit. Dat is een logisch moment om ook verduurzaming toe te passen. Een renovatie brengt een schoolgebouw weer ‘bij de tijd’ en laat het nog een langere tijd functioneel zijn. Renovatie is altijd afhankelijk van wat er nodig is in een schoolgebouw, het is meer dan groot onderhoud, maar geen nieuwbouw. Elke situatie is uniek en dat is de reden dat er geen standaardverdeling van financiële verantwoordelijkheid tussen schoolbestuur en gemeente is aan te geven. Het is altijd een maatwerk-situatie, een gedeelde verantwoordelijkheid. Wel kan algemeen gesteld worden dat de levensduurverlenging een verantwoordelijkheid van de gemeente is, en dat schoolbesturen bijdragen vanuit onderhoudsmiddelen en/of toekomstige exploitatiebesparing. Als deze situatie aan de orde is, zullen schoolbestuur en gemeente altijd met elkaar in overleg treden. Werkwijze/uitgangspunt Voor zowel groot onderhoud als renovatie heeft de gemeente als uitgangspunt dat ze wil faciliteren in de verduurzaming. Het schoolbestuur heeft direct voordeel van verduurzaming in de exploitatielasten. Als de school zelf over voldoende financiële middelen beschikt, is facilitering door de gemeente niet noodzakelijk. In het geval daarvoor de middelen ontbreken, wil de gemeente de duurzaamheidsmaatregelen voorfinancieren, waarbij een terugbetalingsverplichting aan het schoolbestuur wordt opgelegd. Wanneer de gemeente de investering voor haar rekening neemt, dan gelden de volgende aanvullende afspraken: 100 % van de energiebesparende investering is terug te verdienen op de jaarlijkse exploitatielasten. De energiebesparende maatregelen zullen daarom voor 100% terug betaald moeten worden. Ten aanzien van het rentepercentage waarvoor de voorfinanciering wordt aangegaan, wordt gerekend met het dan geldende rentepercentage voor een lening bij de BNG met een looptijd van 15 jaar. Op dat rentepercentage wordt een rente-opslag gezet van 0,5 % om daarmee het risico en de gemeentelijke (administratieve) kosten af te dekken. Het jaarlijks te betalen bedrag zal een vast bedrag zijn. Voorgesteld wordt om niet de gehele ruimte van de besparing op de exploitatielasten te claimen voor terugbetaling, maar 85% van het netto ‘bespaarbedrag’ als jaarlijks bedrag vast te stellen. Daarmee is de looptijd van de voorfinanciering iets langer dan de terugverdientijd van de duurzaamheidsmaatregel, maar wordt uiteindelijk wel 100 % van het geïnvesteerde bedrag terugbetaald. Op deze wijze wil de gemeente duurzaamheidsmaatregelen voor bestaande schoolgebouwen stimuleren. Door het realiseren van bijna energieneutrale schoolgebouwen ontstaat een voordeel op energielasten.

Rechtspraak bij dit artikel