Naar hoofdinhoud
5.1Algemene uitgangspunten Leidingwerken moeten worden uitgevoerd conform de verleende vergunning. Voor een vlotte en correcte uitvoering van leidingwerken is informatievoorziening aan alle relevante betrokken partijen essentieel. Hiertoe zijn aparte voorschiften opgenomen in paragraaf 5.3 Communicatie. Voor zover niet strijdig met de hieronder beschreven uitvoeringsvoorschriften is de CROW- Richtlijnzorgvuldig graafproces (Publicatie 250) en Standaard RAW 2015 van toepassing. Schade aan naastliggende leidingen en aan goederen of gewassen en hinder voor eigenaren en/of gebruikers van de betrokken percelen moet zo veel mogelijk worden voorkomen. De bereikbaarheid van woningen, openbare gebouwen en dergelijke voor (mindervalide) voetgangers moet worden gewaarborgd. Er moet ook vooraf overleg plaats vinden met belanghebbenden en toezichthouder, indien de beperking van de bereikbaarheid bijvoorbeeld tot gevolg heeft dat de hulpdiensten objecten niet voldoende kunnen naderen of dat de bevoorrading van winkels of bedrijven anders dan normaal moet worden geregeld. Bij onder andere vorst in de grond wordt er een algemeen graaf- en breekverbod door de vergunningverlener/toezichthouder ingesteld, zie ook 5.5.1. 5.2Werkplan De vergunningverlener kan eisen dat de uitvoering moet worden uitgewerkt in een werkplan ter aanvulling van de vergunning. 5.3Communicatie 5.3.1Verantwoordelijkheden van betrokken partijen Betrokkene Is verantwoordelijk voor Toezichthouder De rol van de gemeentelijke toezichthouder beperkt zich tot het controleren van het naleven van de bepalingen uit de beschikking en/of de instemming, de APV en het Handboek Kabels & Leidingen. De vergunninghouder dient zelf het dagelijks toezicht te houden op de uitvoering van de werkzaamheden Leidingexploitant De leidingexploitant zorgt continu voor een aan te spreken verantwoordelijke contactpersoon, wiens naam bij alle partijen bekend is. Deze persoon heeft tot taak erop toe te zien dat het werk conform de vergunning en gemaakte afspraken wordt uitgevoerd. Hij dient medewerking te verlenen aan gemeentelijke en andere toezichthouders. Uitvoerders De uitvoerders van het werk moeten over alle vereiste kwalificaties beschikken. De uitvoering van het werk wordt begeleid door competent toezichthoudend personeel van de leidingexploitant, dat de Nederlandse taal beheerst. 5.3.2Bewoners en bedrijven De leidingexploitant informeert ten minste 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk bewoners en bedrijven langs het tracé c.q. nabij het werk over de start en inhoud van de werkzaamheden, voor zover voor hen van belang. De zogenaamde ‘bewonersbrief’ dient vooraf per email toegezonden te worden aan de toezichthouder ter goedkeuring. In het geval van integrale werkzaamheden met andere leidingexploitanten en/of gemeentelijke werkzaamheden in de openbare ruimte geeft de directie van het werk aan hoe de integrale communicatie van het totaal aan werkzaamheden dient plaats te vinden. Ten behoeve van het verkrijgen van een ingravingsvergunning/instemming- of toestemmingsbesluit kan het noodzakelijk zijn om vooraf verkeersplannen in te dienen waarvoor door vergunningaanvrager zelf overleg en afstemming met onder andere politie, verzorging- en hulpdiensten, particuliere- en openbare vervoerders alsmede de gemeente moet worden gevoerd. 5.3.3Melding ingraving (start werkzaamheden) Minimaal drie werkdagen voor de start van de uitvoering meldt de leidingexploitant en/of zijn vertegenwoordiger het werk waarvoor vergunning is verleend, via email en/of bij het digitale loket van de gemeente en met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, zie bijlage 7. 5.3.4KLIC-melding (procedure WIBON) Ten hoogste twintig werkdagen voor aanvang van mechanische graafwerkzaamheden moet de uitvoerder (grondroerder) een KLIC-melding doen bij het Kadaster. Alvorens uw plan wordt ingediend dient kennis genomen te worden van alle aanwezige kabels en leidingen. 5.3.5Kick-off meeting / startvergadering Indien de gemeente het wenst dient er een Kick-off meeting / startvergadering geinitieerd te worden door de betreffende leidingexploitant. In de volgende gevallen kan dit plaatsvinden: Alle (leiding)werken in de bestemde leidingenstroken of Binnen een afstand van 5 m. vanaf bestemde leidingen. Alle gevallen waar het gaat om (leiding)werken met een grote impact op de omgeving. Het overleg dient minimaal twee weken voor de start van de uitvoering plaats te vinden. De leidingexploitant en zijn aannemer presenteren in dit overleg alle noodzakelijke plannen, waarna de belanghebbenden opmerkingen kunnen maken. Wanneer deze voorwaarden redelijkerwijs ertoe bijdragen dat schade aan de eigendommen van de belanghebbenden wordt voorkomen, moeten ze door de leidingexploitant alsnog worden verwerkt in het werkplan. De hierboven bedoelde, benodigde voorbereidingsinformatie dient ten minste twee weken voor het overleg bij de belanghebbenden in bezit te zijn. Van het overleg maakt de leidingexploitant of diens vertegenwoordiger een verslag, en zorgt ervoor dat dit minimaal twee werkdagen voor de start van de uitvoering bij alle betrokkenen is bezorgd. Verslag ter goedkeuring van de vergunningverlener. 5.4Algemene uitvoeringsvoorschriften 5.4.1Aanwezige documenten Bij aanvang en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moeten op het werk aanwezig zijn: De vergunning (niet ouder dan 1 jaar), of kopie ervan; Gewaarmerkte werktekeningen; Een geldige KLIC-melding (niet ouder dan 4 weken); Een kopie van de (start)melding ingraving aan de toezichthouder; (Afschriften van) de overige benodigde vergunningen. 5.4.2Proefsleuven ter voorbereiding De leidingexploitant dient vooraf te verifiëren of de ligging van de K&L volgens de KLIC-melding, nog overeenkomen met de werkelijke ligging. Dit dient te geschieden door proefsleuven te maken, zie 4.2. Voorafgaand aan verplicht gesteld archeologische onderzoek mogen geen proefsleuven of ontgravingen uitgevoerd worden, tenzij deze onder archeologische begeleiding worden uitgevoerd. 5.4.3Uitzetten tracé Uitgangspunt is dat de leidingexploitant het toegewezen tracé uitzet (uit laat zetten) middels piketten en controleert of dit vrij is van belangen van derden. 5.4.4Toepassen en verwijderen hulpconstructies Voor het aanbrengen van leidingen kan het nodig zijn tijdelijke hulpconstructies toe te passen zoals pers- en ontvangstkuipen, sleufbekistingen door middel van onder andere damwanden, tijdelijke ondersteuningen en dergelijke. Deze hulpconstructies dienen conform het werkplan te worden aangebracht en verwijderd. Mocht het om welke reden dan ook niet mogelijk zijn deze hulpconstructies geheel of gedeeltelijk te verwijderen dan dient dit onverwijld te worden gemeld aan de toezichthouder. De regel is dat deze tot minimaal 2,50 m. onder maaiveld worden verwijderd. De achterblijvende constructies of delen daarvan dienen te worden ingemeten en worden geregistreerd door de leidingexploitant als ondergrondse objecten. Deze gegevens moeten naar de vergunningverlener worden verstuurd. 5.4.5Werken in nabijheid van leidingen Sonderingen, grondboringen, bronneringen en graafwerkzaamheden dienen conform de regels van de WIBON en gerelateerde regelgeving en voorschriften zo te worden uitgevoerd dat geen schade optreedt aan nabij gelegen leidingen. 5.4.6Grote zettingen Bij (grote) te verwachten zettingen dienen belendingen, die door de aanleg zouden kunnen worden beïnvloed, aan een ‘0-waarde-onderzoek’ (vastleggen van de situatie op de contractdatum) te worden onderworpen en gemonitoord. Per geval dienen alarmgrenzen en criteria te worden afgesproken en vastgelegd tussen de betrokken partijen. 5.4.7Bodemverontreiniging Voor werkzaamheden in de bodem is de Wet bodembescherming (Wbb) onverkort van toepassing. Dit betekent onder andere dat de leidingexploitant verplicht is uit te zoeken of de bodem ter plekke van het leidingtracé verontreinigd is2 Het verzamelen van informatie over de kwaliteit van de bodem, het verkrijgen van toestemming om te graven bij het bevoegd gezag en de extra uitvoeringskosten als gevolg van bodemverontreiniging zijn geheel voor rekening van de leidingexploitant. . Daarvoor kan hij: Bij de Omgevingsdienst Zuid Holland zuid (OZHZ) navragen of er informatie beschikbaar is over de bodemkwaliteit. Dit kan via www.ozhz.nl of telefonisch 078 - 770 85 85. Aan het nazoeken in het archief van OZHZ zijn mogelijk kosten verbonden. Bij geen of onvoldoende informatie kan in het kader van arbowetgeving de leidingexploitant een bodemonderzoek laten uitvoeren door een gecertificeerd onderzoeksbureau. Eventuele onderzoekskosten komen voor rekening van de leidingexploitant. In geval van ernstige bodemverontreiniging, en er geen alternatief tracé in overleg met de vergunningverlener is overeengekomen, moeten graafwerkzaamheden volgens de daarvoor geldende procedures worden gemeld bij het bevoegd gezag (OZHZ). Uitvoering van de werkzaamheden mag dan alleen plaatsvinden op basis van een goedgekeurd saneringsplan (BUS-melding). Bodemverontreinigingen die onverwacht tijdens het graafwerk aan het licht komen, dienen direct aan het bevoegd gezag (OZHZ) en aan de toezichthouder te worden gemeld, waarna voortzetting van de werkzaamheden moet worden afgestemd met het bevoegd gezag. Kosten die voortvloeien ten gevolge van eventuele sanering komen ten laste van de leidingexploitant. 5.4.8Ecologie Allereerst moet op grond van de Flora- en Faunawetgeving onderzocht worden of er beschermde planten en/of dieren binnen het tracé aanwezig zijn. In het kader van de flora en fauna kan een ontheffing nodig zijn. In ecologisch waardevolle bermen3 Naar beoordeling van de groenbeheerder(s). moeten de negatieve invloeden van het werk zoveel mogelijk beperkt worden. Buiten de sleuf zijn aanvullende voorwaarden van toepassing. Grond uit de sleuf wordt niet direct op de berm geplaatst, maar op een tussenliggend materiaal. Het gebruikte materiaal moet stevig zijn, opdat er tijdens en na het proces geen kans is op vermenging van grond uit de sleuf in overige delen van de berm. Ook moet verdrukking van de berm buiten de sleuf voorkomen worden. Het tussenliggende materiaal moet na afloop met zorg worden weggehaald, zodat de berm niet alsnog beschadigd wordt. Wanneer de graafmachines over bermgedeelten buiten de sleuf moeten rijden, dient verdrukking voorkomen te worden. Materieel dat deze verdrukking voorkomt (zoals rijplaten) moet dan toegepast worden. Het herstel van eventuele schade is geheel voor rekening van de leidingexploitant. 5.4.9Werkterrein Voor het aanvragen van een werkterrein/depot en/of het plaatsen van keten en materiaalcontainers moet toestemming gevraagd worden. Na toestemming van de gemeente mag het werkterrein ingericht worden. Na het voltooien van de werkzaamheden moet het werkterrein worden ontruimd en opgeleverd worden in de oorspronkelijke staat als bij de start van de werkzaamheden. Werkterrein dient zoveel mogelijk schoon en opgeruimd te zijn. Na werktijd dient het werkterrein veilig (voldoende afzetting) te zijn en sleuven zo veel mogelijk aangevuld. 5.4.10As-built tekening De leidingexploitant dient zonder nadere verrekening, op verzoek As-built tekeningen van het leidingwerk op verzoek te verstrekken aan de vergunningverlener. Op deze tekeningen moet het tracé van de leiding zoals deze is gelegd, zijn aangegeven in x-, y- en z-coördinaten. Ook dient hij ieder jaar, op verzoek een totaal bestand van zijn netten digitaal te versturen naar de vergunninghouder ter onderbouwing van alle werkzaamheden die hij heeft uitgevoerd. 5.4.11Leidingstroken Het is verboden zich met materialen en materieel die niet voor de uitvoering van het werk nodig zijn, in de leidingstroken te bevinden. Bij transport van materiaal en materieel over de leidingstroken, en ook bij het tijdelijk opslaan van uitkomende grond kan door de leidingexploitanten van de reeds aanwezige leidingen en/of toezichthouder van de gemeente worden geëist dat de nodige (tijdelijke) voorzieningen worden getroffen. De hoogte van de opslag van de uitkomende grond mag nooit > 1 m. boven het maaiveld bedragen. 5.4.12Hoogspaningsverbindingen Bij werkzaamheden in de nabijheid van één of meer bovengrondse en/of ondergrondse hoogspanningsleidingen, zijnde transport en/of distributie van 10 kV en hogere spanningen en zendmasten moet over de te treffen veiligheidsmaatregelen vooraf worden overlegd met het bedrijf onder wiens beheer de leiding (of installatie) valt. Bij het vrijgraven van een leiding dient deze in overleg met de leidingexploitant te worden beschermd. 5.4.13Bomen en groen Werkzaamheden aan of bij bomen moet zo veel mogelijk worden vermeden (zie 4.4.2 Bomen en bijlage 2), Indien het toch onvermijdelijk is, dan wordt hierover altijd eerst vooraf overleg gevoerd met de toezichthouder en/of groenbeheerder. Enkel met toestemming van de toezichthouder of groenbeheerder kan er afgeweken worden. De uitvoeringseisen ten aanzien van werken aan en rond bomen worden gegeven in de meest recente versie van het Handboek Bomen. Zie bijlage 2. Het kappen van boomwortels mag uitsluitend met toestemming van de toezichthouder en/of groenbeheerder. In alle gevallen geldt dat wanneer er toch graafwerk onder de boomkroonprojectie uitgevoerd moet worden, dit uitsluitend handmatig wordt uitgevoerd en de boomwortels die dikker zijn dan 5 cm gespaard moeten blijven. Voorkom graafwerkzaamheden binnen de wortelpakket van de boom en voorkom wortelschade aan stabiliteitswortels van de boom. Er moet worden gehandeld overeenstemming met de voorschriften beschreven in het Handboek Bomen 2018 ofwel de meest recente versie, uitgegeven door Norm Instituut Bomen. Volledige Handboek Bomen is op te vragen bij de vergunningverlener. De leidingexploitant is gedurende een jaar verantwoordelijk voor het voortbestaan van bomen waar hij met toestemming, binnen de kroonprojectie heeft gegraven. De boom dient na een jaar in vergelijkbare conditie te zijn als voordat de werkzaamheden uitgevoerd zijn. Als dit niet het geval is kan de leidingexploitant worden verplicht tot herplant van een qua soort en omvang vergelijkbare boom. 5.4.14Kruisingen asfaltverharding, sierbestrating en gefundeerde wegen Leidingen dienen asfaltverharding, sierbestrating en gefundeerde wegen te kruisen door middel van een persing of boring. Deze kruising dient zoveel mogelijk haaks plaats te vinden. Bij gebruik van een persing, boring of mantelbuis moeten deze ca. 0,50 m. buiten de buitenkant van de kantopsluiting uitsteken, een en ander afhankelijk van de diameter en de dekking van de leiding en het zich buiten het wegdek bevindende ondergrondse infrastructuur. Alleen indien bovenstaande niet mogelijk is mag een open ontgraven toegepast worden. Voor deze uitzonderlijke gevallen kan ontheffing worden gegeven. Voor uitvoering en herstel asfalt zie punt 5.6.3 en ter aanvulling geldt bij gefundeerde wegen dat de fundering min. 100% wordt verdicht. Voor sierbestrating gelden aparte afspraken. 5.4.15Tijdelijke verkeersmaatregelen Indien er tijdelijke verkeersmaatregelen nodig zijn, gelden de volgende eisen: De leidingexploitant moet ten minste vier weken voor de aanvang van het werk overleggen met de toezichthouder over de te treffen verkeersmaatregelen. Bij wegafsluitingen dient er minimaal 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden een omleidingsplan cq. verkeersplan ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd. Hierbij gelden de volgende eisen: Het verkeer dient omgeleid te worden met behulp van bebording. Deze omleidingsroute dient u vooraf ter goedkeuring voor te leggen aan de gemeente. Plaatsen, instandhouden en opruimen van de omleidingsborden dient door een gespecialiseerd bedijf uitgevoerd te worden. De nood- hulpdiensten dienen uiterlijk twee weken vooraf geïnformeerd te worden. Een week voorafgaand aan de werkzaamheden dient er een bericht geplaatst te worden in de gemeenterubriek van Het Kompas (plaatselijke krant) en op de gemeentewebsite. Voor publicatie op de vrijdag dient het bericht uiterlijk op maandag te worden aangeleverd. Dit moet afgestemd worden met de afdeling communicatie van de gemeente. Zij zijn te bereiken via communicatie@gemeentehw.nl of telefoonnr. 14 0186. De aanwijzingen van de toezichthouder en/of medewerker Verkeer aan de leidingexploitant zijn bindend voor het tijdstip waarop de werkzaamheden op de openbare weg moeten worden uitgevoerd. De toe te passen verkeersmaatregel(en) moet(en) voldoen aan de richtlijnen CROW-richtlijn Werk in uitvoering publicatie 96b. Onmiddellijk na het gereedkomen van de werkzaamheden (inclusief het dichtstraten van de sleuf) moet(en) de toegepaste verkeersmaatregel(en) worden verwijderd. Bij gladheid veroorzaakt door ijs, ijzel of sneeuw en/of in geval van mist, sneeuwval of andere omstandigheden, in het bijzonder van atmosferische aard, die het zicht beperken tot een afstand van minder dan 200 meter, mogen geen werkzaamheden uitgevoerd worden op of langs een voor het openbaar verkeer opengestelde rijbaan, als ten behoeve van deze werkzaamheden een tijdelijke afzetting is voorgeschreven. Wanneer bovenstaande omstandigheden zich voordoen, dienen de werkzaamheden zo spoedig mogelijk te worden beëindigd. In de gemeente zijn er afspraken, gericht op het beperken van overlast voor het verkeer tijdens werkzaamheden. De spelregels zijn aanvullend op de algemeen geldende eisen. Voor nadere informatie en/of goedkeuring omtrent verkeersmaatregelen kan contact opgenomen worden met de afdeling Verkeer van de gemeente, telefoonnr.: 14 0186. Verkeersplannen kunnen aangeleverd worden via email: info@gemeentehw.nl t.a.v. afdeling Verkeer. 5.5Uitvoeringvoorschriften, per aanlegmethode 5.5.1Weersomstandigheden (werkbaar weer) In geval van weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, (zware) sneeuwval of ijzel en vorst), waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast voor de bewoners en/ of schade voor de gemeente leidt door bijvoorbeeld breuk van vastgevroren bestratingsmateriaal en/of niet goed te verdichten ondergrond, zal de gemeente overgaan tot het tijdelijk opschorten van een verleende graafvergunning (“Breekverbod”). De vergunninghouder en grondroerder zijn gehouden zich aan onderstaande richtlijnen te houden, ook al heeft de gemeente (nog) geen expliciete melding van een breekverbod gemaakt: Op het weerstation KNMI in De Bilt gelden de volgende condities: Om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur van -4 ºC of lager; Om 10.00 uur een geregistreerde temperatuur van -2 ºC of lager; Om 07.00 uur een geregistreerde temperatuur tussen 1 ºC en -3 ºC en om 10.00 uur daaropvolgend een geregistreerde temperatuur van -1 ºC of lager; Algemeen geldt; als er ijs in de watergang ligt mag er niet gestart worden. Alle kosten en gevolgen, voortvloeiend uit de opschorting, zijn voor de vergunninghouder. Indien grondroerder het gestelde in lid 1 negeert zal de gemeente op kosten van de betreffende leidingexploitant alle benodigde herstel werkzaamheden en materiaalleveringen (laten) uitvoeren die nodig zijn om de door leidingexploitant veroorzaakte schade aan gemeentelijke eigendommen te herstellen. Indien leidingexploitant en gemeente vooraf overeen komen dat, tijdens een opschortingperiode zoals bedoeld in lid 1, reguliere werkzaamheden aan netwerken voor levering van gas, water en/of elektriciteit niet langer kunnen worden uitgesteld kan de gemeente onder strikte voorwaarden een ontheffing voor het betreffende werk verlenen. Uitgangspunten hierbij zijn in ieder geval: De uitvoering van het werk mag niet leiden tot overmatige overlast voor omwonenden en het doorgaande verkeer; De uitvoering van het werk mag geen verdere afname van de (verkeers)veiligheid en bereikbaarheid veroorzaken; De uitvoering van het werk mag geen schade aan- of verminderde kwaliteit van naastliggende of kruisende belangen van de andere leidingexploitanten veroorzaken; Direct na het opheffen van het algemene breekverbod moet de ontheffinghouder op zijn kosten zorgdragen voor het, naar genoegen van de gemeente, weer in oorspronkelijke staat (wegprofiel, verharding, verhardingselementen alsmede laagopbouw en verdichting van de ondergrond) brengen van de doorgraven openbare ruimte. 5.5.2Open ontgraving Bij een open ontgraving worden de werkzaamheden in een droge gegraven sleuf uitgevoerd. Afwijkingen of veranderingen in de opgegeven grondwaterstanden geven geen recht op schadevergoeding of enigerlei andere financiële tegemoetkoming. 5.5.3Graven sleuf De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige leidingen en overige objecten wordt voorkomen. Schade aan aanwezige (diep)drainagesystemen of irrigatiesystemen moet worden voorkomen of adequaat worden hersteld na of tijdens de uitvoering. Als op basis van het archeologisch vooronderzoek een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding verplicht is gesteld, dient hiermee rekening te worden gehouden. Bij het graven van de sleuf gelden de volgende eisen: Er mag niet dieper wordt ontgraven dan het niveau dat is aangegeven voor de onderkant van de leiding in verband met optredende klink van geroerde grond, tenzij er met de vergunningverlener anders overeen gekomen is. Bij machinaal ontgraven is het niet toegestaan een tandenbak te gebruiken. Het is niet toegestaan leidingen aan te prikken met een scherp/puntig voorwerp. De wijze van ontgraven die wordt toegepast, dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten. Het is verboden machinaal te graven binnen een straal van 0,50 m. vanaf de uitwendige diameter van de leiding(en) of mantelbuis(-buizen). Het talud moet zijn aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, opdat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met aan te brengen schotten worden gestut. De sleufbodem dient zo uitgevoerd te worden dat de leiding wordt aangelegd zoals in de berekening is voorzien. Het kan nodig zijn een zandlaag, grondverbetering, onder de leiding aan te brengen. De sleuf moet worden vrijgehouden van voorwerpen die de leiding zouden kunnen beschadigen. Grind, stenen en/of andere harde materialen nabij de definitieve plaats van de leiding moeten worden verwijderd en afgevoerd. Bij bomen moet rekening gehouden worden met artikel 4.4.2 en 5.4.13 van dit Handboek. Voor graafwerk in en rond dijklichamen gelden mogelijk aanvullende eisen van waterschap Hollandse Delta. Hier dient rekening mee gehouden te worden. Tijdens het stormseizoen tussen oktober en april, stelt het waterschap strenge eisen aan werkzaamheden nabij dijken en waterkeringen. 5.5.4Lengte van de sleuf Na aanvang van het ontgraven van de sleuf dient binnen een werkdag de sleuf opnieuw aangevuld te worden en de eventuele bovenliggende wegverharding in goede staat te zijn hersteld. Er mogen geen grotere lengtes van sleuven worden gegraven dan in een werkdag kan worden aangevuld en de bovenliggende verharding kan worden hersteld tenzij anders met de toezichthouder is overeengekomen. 5.5.5Uitgraven materiaal Indien er in een te graven sleuf meerdere lagen grondsoorten aangetroffen wordt, dienen deze gescheiden te worden ontgraven. De grondsoorten dienen daarna in oorspronkelijke staat teruggebracht te worden in de sleuf, zie ook artikel 5.5.7. De grondsoorten moeten afzonderlijk worden verdicht. Zie ook artikel 5.5.8. 5.5.6Opslag uitgegraven grond De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt herkregen (na gescheiden ontgraven). De hoogte van de opslag van de uitkomende grond mag nooit > 1 m. boven het maaiveld bedragen. De opslag van de uitkomende grond naast de sleuf mag geen gevaar vormen voor de weggebruikers en dient voldoende afgezet te worden middels baakschildjes en hekken. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn de grond gescheiden te ontgraven en/of op te slaan in depot buiten het werkterrein. Grond vervoeren naar een depot buiten het werkterrein mag enkel plaatsvinden na goedkeuring van de toezichthouder van de gemeente. De opslag van de grond in depot dient bij voorkeur op een gesloten of verharde ondergrond plaats te vinden. Indien de grond in depot wordt opgeslagen op onverhard terrein, moet dit zijn afgestemd op de plaatselijke grondslag. Opslag van verdachte of vervuilde grond mag enkel plaatsvinden na goedkeuring van de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid. Gronddepots mogen niet boven een bestaande ondergrondse leiding, onder de boomkroon of op ecologisch waardevolle bermen worden geprojecteerd. Indien dit toch nodig is, moet in overleg met de toezichthouder worden nagegaan of het mogelijk is en welke bijzondere voorzieningen (bijvoorbeeld rijplaten e.d.) moeten worden getroffen. 5.5.7Aanvullen sleuf Indien er bij ontgraven van de sleuf meerdere grondsoorten vrijkomen, dienen deze gescheiden te worden ontgraven en in oorspronkelijke staat laagsgewijs aangevuld en verdicht te worden. Als blijkt dat de uitkomende grond niet toegepast kan worden doordat deze niet geschikt is om terug te brengen onder verhardingen, moet deze ongeschikte grond afgevoerd worden op kosten van de leidingexploitant. De leidingexploitant dient daarnaast op zijn kosten, zand te leveren en te verwerken in de sleuf. De toezichthouder bepaalt of de grond afgevoerd moet worden of hergebruikt kan worden met als doel, zettingen zoveel mogelijk te beperken. Uitgangspunten om hergebruik van de grond te weigeren zijn o.a.: Zeer puinhoudende grond (puinhoudend >20%). Kabel of leiding kan beschadigd raken bij aanvullen. Vette (plastische) klei. Vrijgekomen kleigrond is niet meer te verdichten (Verdichtingspercentage <95% t.o.v. de ongeroerde / oorspronkelijke bodem naast de sleuf). Humusreike grond of veengrond. Grond is niet meer te verdichten (Verdichtingspercentage <95% t.o.v. de ongeroerde / oorspronkelijke bodem naast de sleuf). Te groot vochtgehalte van de (verzadigde) grond welke niet meer verdicht kan worden. Voor sleuven onder asfaltverharding en sierbestrating, dient uitkomende grond, niet zijnde zand, altijd op kosten van de leidingexploitant vervangen te worden voor zand. De eventuele funderingslaag (bijv. menggranulaat) dient in oorspronkelijke staat teruggebracht te worden. 5.5.8Verdichten sleuf Na beëindiging van de leidingwerkzaamheden moeten de gescheiden lagen grond, vrij van stenen en dergelijke, weer worden teruggebracht in dezelfde volgorde zoals ze werden aangetroffen. De aanvulling dient te worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m, waarbij elke laag moet worden verdicht. De sleuf dient na verdichting te voldoen aan de RAW-standaard 2015 artikel 24.02.03 tot en met 24.02.06, 24.05.01 en 24.05.04 waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: De verdichtingsgraad van de ongeroerde grond naast de sleuf of de grond in de sleuf voorafgaand aan het ontgraven is 100%. De verdichtingsgraad van zand dat in grondverbetering is verwerkt bij grondwerk voor kabels en leidingen, is ten minste 93%. De gemiddelde verdichtingsgraad is ten minste 98%. De verdichtingsgraad van zand dat in aanvulling is verwerkt bij grondwerk voor kabels en leidingen en waar geen verharding is geprojecteerd, of dat moet worden verwerkt op een diepte van meer dan 1,0 m beneden het oppervlak van het toekomstige wegdek, is ten minste 93%. De gemiddelde verdichtingsgraad is ten minste 98%. De verdichtingsgraad van zand dat in aanvulling is verwerkt bij grondwerk voor kabels en leidingen op een diepte van minder dan 1,0 m beneden het oppervlak van het toekomstige wegdek, is ten minste 95%. De gemiddelde verdichtingsgraad is ten minste 100%. Indien de aanvulling van de sleuf voor kabels en leidingen geschiedt met uitgekomen grond, is de indringingsweerstand van de aanvulgrond ten minste gelijk aan 90% van de indringingsweerstand voorafgaand aan ontgraving. Indien de aanvulling van de sleuf geschiedt met zand dat voldoet aan de eisen voor zand in aanvulling of grondverbetering of zand in zandbed, is tijdens het aanvullen het zand verdicht tot een indringingsweerstand is bereikt die per 10 mm diepte met ten minste 0,20 MPa toeneemt, dan wel ten minste 4 MPa bedraagt. Ter plaatse van beplantingszones of van grasachtige vegetatie is de indringingsweerstand na verdichting van de sleuf 1 tot 1,5 MPa. De sleuf moet, ter bescherming van de leiding en bekleding, tot een hoogte van 0,30 m boven de bovenkant leiding met grond vrij van grove en harde bestanddelen worden opgevuld. Deze eerste aanvullaag moet van een zodanige kwaliteit zijn en zo worden aangebracht, dat de leiding aan alle zijden over de gehele lengte een gelijkmatige en stevige ondersteuning krijgt. De leidingexploitant dient de verdichtingswaarden op verzoek aan de toezichthouder te overleggen. De toezichthouder kan controle van de verdichting van de sleuf eisen. Indien de verdichting niet gehaald wordt dient de leidingexploitant op zijn kosten maatregelen te treffen om een juiste verdichting te bereiken, eventueel door het toepassen van grondverbetering (zand). Bij vorst mag de sleuf niet aangevuld worden. 5.5.9Overgebleven grond Grond en puinhoudend materiaal dat overblijft, dient conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit of conform het beleid van de gemeente door de leidingexploitant te worden onderzocht, afgevoerd en verwerkt. Kosten die voortvloeien uit het laden, vervoeren, storten en verwerken van overtollige grond komen ten laste van de leidingexploitant. 5.5.10Boringen en persingen (sleufloze techniek) Voor elke boring of persing dient een tekening, bij voorkeur digitaal, te worden aangeleverd met daarop het lengteprofiel, de in- en uittredepunten in ruimtebeslag aangegeven, de opstelplaatsen van materieel en opslagplaats materiaal. 5.5.11Bemaling Het leggen van leidingen dient in droge sleuven plaats te vinden. Wanneer er bemaling nodig is moet dit in overleg met de vergunningverlener plaats vinden. Voor het onttrekken en lozen van grondwater is het waterschap het bevoegd gezag. Voor het lozen op het vuilwaterriool is toestemming van de gemeente nodig. De leidingexploitant blijft verantwoordelijk voor eventuele schade aan bijvoorbeeld gebouwen, beplanting e.d. als gevolg van de bemaling. Voor bronbemaling binnen de kwestbare boomzone moeten de voorschriften van Handboek Bomen 2018 worden aangehouden. 5.6 Overige bepalingen 5.6.1Algemene uitgangspunten Indien binnen 5 jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gronden, door of namens de gemeente, de leidingexploitant werkzaamheden moet uitvoeren kan de vergunningverlener/toezichthouder nadere eisen stellen aan de leidingexploitant om de kwaliteit van het pas uitgevoerde werk te herstellen. De kosten worden verrekend tegen werkelijke kosten en maken geen deel uit van de herstraattarieven. Richtlijn voor het herstel van nieuw straatwerk; Trottoir/tegel fietspad: van band tot band opnieuw verdichten en bestraten; Asfalt fietspad: gehele breedte opnieuw asfalteren; Elementen rijbaan: bredere herbestrating afhankelijk van de ligging en diepte van de sleuf met een minimum van een halve rijbaan. Sleuf breedte kleiner dan 2,50 m. is halve rijbaan herstraten. Sleuf breedte groter dan 2,50 m. (bovenkant sleuf) is hele rijbaan herstraten. Asfalt rijbaan: altijd de gehele deklaag van de rijbaan vervangen. Schade aan gemeentelijke of andere eigendommen dient zoveel mogelijk te worden vermeden/beperkt. Mochten er toch beschadigingen optreden dan dient de leidingexploitant deze direct te melden aan de eigenaar van het beschadigde object en aan de toezichthouder. Uitgangspunt bij het herstel van de schade als gevolg van de werkzaamheden is dat de leidingexploitant de situatie in oorspronkelijke staat (0-meting) herstelt. Uitgangspunt is dat de oorspronkelijke staat gelijk is aan de staat van de rest van de omgeving. Het herstel van de schade vindt plaats in overleg met en is voor rekening van de veroorzaker volgens het beleid van de gemeente. De leidingexploitant hoeft geen betere kwaliteit te leveren dan aanwezig was voor de werkzaamheden werden uitgevoerd. Behoudens de normale degeneratie als gevolg van werken, hoeft de gemeente daarentegen geen verslechtering te accepteren. Al het te gebruiken materiaal dient van hetzelfde formaat, soort, kleur en textuur te zijn als de door de gemeente gebruikelijk toe te passen materialen. Uitgezonderd op bovenstaande zijn nieuwbouwprojecten, herbestratingsprojecten en reconstructies welke nog niet aan gemeente zijn overgedragen. Hier mag de controle en goedkeuring op de verdichting en de herbestrating uitsluitend worden uitgevoerd door de firma’s die op de betreffende locatie verantwoordelijk zijn voor het aanbrengen van de bestrating. De vergunninghouder is verplicht om deze bedrijven voor eigen rekening en risico in te schakelen voor de herbestratings- en daaraan gerelateerde werkzaamheden en dit ruim voorafgaand aan de start van de werkzaamheden met de Kabel- en Leidingcoördinator en de betreffende projectleider van de gemeente af te stemmen en overeen te komen. Tijdens de uitvoering van het werk moet de vergunninghouder zorg dragen voor het schoon houden van het omliggende openbaar gebied. Indien deze hierin gebreke blijft, zal de gemeente hiervoor opdracht geven waarna de kosten bij de vergunninghouder in rekening wordt gebracht. 5.6.2Herstel van de sleuf, elementenverharding De leidingexploitant straat zelf dicht en is verplicht om degeneratie kosten, conform de richtlijn herstraattarieven van de VNG B2, te betalen.Te kortkomend bestratingsmateriaal dient door en op kosten van de leidingexploitant bijgeleverd te worden. Bestratingsmateriaal dient van hetzelfde formaat, kleur en textuur te zijn als bestaand materiaal. Indien er voorafgaand aan de werkzaamheden geconstateerd wordt dat er buitenproportioneel veel breuk in de bestrating aanwezig is (>5%) dan kunnen afspraken gemaakt worden over ter beschikking stellen van bestratingsmateriaal. Voor herstel van sierbestrating worden aparte afspraken gemaakt. Het dichtstraten van de aangevulde en verdichte gaten en sleuven moet worden uitgevoerd door een erkend straatmakersbedrijf of door een persoon die volgens de toezichthouder voldoende kundig is. Opnemen en herstel natuursteenbestrating Het opnemen en herstellen van natuursteenbestrating is specialistisch van aard en moet worden uitgevoerd door een door de gemeente aan te wijzen aannemer. De kosten hiervoor komen voor rekening van de leidingexploitant. Offerte aanvraag en opdrachtverstrekking wordt door de aanvrager gecoördineerd met de aannemer, de gemeente speelt hierin geen rol. 5.6.3Herstel van de sleuf, asfaltverharding Wanneer er toestemming is verleend om sleuven te zagen in asfaltverharding, moet de leidingexploitant de sleufbreedte afstemmen op het dichtblokken met betonstraatstenen (steenmaat). Vrijgekomen asfalt zowel niet- als teerhoudend dient door en op kosten van de leidingexploitatant afgevoerd te worden naar een erkend verwerkingsbedrijf. De randen moeten recht afgezaagd worden en de oorspronkelijke funderingsopbouw moet worden hersteld. De leidingexploitant levert de betonstraatstenen en blokt de sleuf dicht. Tussentijdse verzakkingen dienen op eerste aangeven te worden hersteld op kosten van de leidingexploitant. Na een inklinkperiode van minimaal een half jaar herstelt de gemeente de sleuf in asfalt, inclusief alle nodige markeringen e.d. Deze kosten worden in rekening gebracht bij de leidingexploitant. Zoals opgenomen in de Schaderegeling Ingravingen wijkt de gemeente af van de VNG B2 en hanteert de gemeente een onderhoudstermijn van 6 maanden op het aangebrachte straatwerk in asfaltverharding. 5.6.4Herstel van de sleuf, beplanting Wanneer er toestemming is verleend voor een tracé door een groenstrook, moet de leidingexploitant de beplanting in overleg met de toezichthouder verwijderen. Grond moet gescheiden worden ontgraven en in dezelfde lagen worden teruggebracht. De gemeente verzorgt de herplant van de beplanting. De (degeneratie-)kosten en eventuele vervangingskosten van de beplanting worden in rekening gebracht bij de leidingexploitant. 5.6.5Schade aan huisaansluiting Indien blijkt dat de zetting aan een gevel zodanig is dat verwacht kan worden dat de huisaansluiting dreigt te beschadigen of af te breken dan is de leidingexploitant verplicht hiernaar onderzoek te doen en zo nodig maatregelen te nemen. 5.6.6Archeologische vondsten Archeologische waarden dienen zoveel mogelijk behouden te blijven. Bij het onverwacht aantreffen van archeologische waarden of objecten dient dit direct gemeld te worden bij de vergunningverlener. Stilstand / stagnatie kan niet doorberekend worden aan de gemeente.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel