1. Er wordt geen maatwerkvoorziening toegekend als de gemeente van oordeel is dat:
a. de hulpvraag kan worden opgelost door het inzetten van een voorliggende voorziening, zoals genoemd onder artikel 3.2, tweede lid van deze Verordening;
b. een inwoner zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en maatregelen had kunnen nemen om de hulpvraag te voorkomen;
c. er voor de inwoner geen aantoonbare meerkosten zijn ten aanzien van de situatie voordat de hulpvraag ontstond;
d. de aanvraag betrekking heeft op kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de melding van de hulpvraag bij de gemeente;
e. de aangevraagde maatwerkvoorziening onveilig is of risico’s met zich meebrengt voor de inwoner of anderen;
f. het toekennen van een maatwerkvoorziening een anti-revaliderend effect zou hebben, of
g. een eerder verstrekte maatwerkvoorziening nog passend is als oplossing voor de hulpvraag.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.3
Aanvullende criteria maatwerkvoorziening
Onderdeel van Integrale Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Houten