Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Afbakening en begrippen

Onderdeel van Beleidsregels aanpak woonoverast

Ter verduidelijking van de in artikel 151d Gemeentewet en in artikel 2:49a van de APV gehanteerde methodiek en begrippen geldt de volgende toelichting op begrippenkader artikel 151d Gemeentewet en 2:49a APV. Ernstige woonoverlast: Overlast waarvan door aard of frequentie, een zodanige belasting uitgaat dat het welzijn, de gezondheid, de veiligheid en/of de leefbaarheid van omwonenden ernstig wordt aangetast. Andere geschikte wijze: De burgemeester legt een specifieke gedragsaanwijzing pas op als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Dit betekent dat de burgemeester pas overgaat tot het opleggen van een last met een gedragsaanwijzing als het niet mogelijk is gebleken om de overlast op een andere geschikte wijze tegen te gaan, waarmee wordt gedoeld op minder ingrijpende middelen (conform het subsidiariteitsbeginsel). De burgemeester komt beleidsvrijheid toe in de afweging of er geen andere geschikte wijze is om de hinder tegen te gaan. Dat kunnen ook andere middelen zijn dan de uitoefening van overheidsbevoegdheden. Voorbeelden van andere manieren om overlast te bestrijden zijn het geven van een waarschuwing, het gebruik van buurtbemiddeling, mediation, of het door het slachtoffer zelf of door de verhuurder van de woning van de overlastgever aanspannen van een civiele procedure. Pas als de burgemeester meent dat er redelijkerwijs geen andere geschikte wijze is om de ernstige hinder tegen te gaan (blijkend uit de omstandigheid dat eerdere maatregelen of acties geen of onvoldoende soelaas bieden), legt hij een last op. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de burgemeester van van onderhavig middel slechts gebruik maakt als ‘ultimum remedium’, indien er geen andere passende en minder ingrijpende instrumenten ter beschikking staan, tevergeefs zijn toegepast of niet toepasbaar zijn. Dit sluit aan bij de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Woning of een bij die woning behorend erf Met woning of bij die woning behorend erf wordt bedoeld de woning, de rest van het betrokken perceel (zoals een tuin) en de gezamenlijke ruimte binnen een wooneenheid zoals het portiek, de parterretrap, de gezamenlijke buitenruimte, enzovoorts. Gelet op het bepaalde in artikel 151d, eerste lid, van de Gemeentewet vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, zoals gedragingen in de tuin van de buren, op het trottoir en of op straat ter hoogte van of vlakbij de woning, onder de reikwijdte van dit begrip. Gebruiker van de woning Degene die de woning feitelijk bewoont. De gebruiker hoeft niet een huurrechtelijke of eigendomsrechtelijke relatie tot de woning te hebben en hoeft niet de rechtmatige gebruiker van de woning te zijn. Ook een illegale huurder of een kraker van de woning valt onder het bestanddeel ‘gebruiker’. Gedragingen in of vanuit die woning of dat erf Gedragingen die in of rondom de woning of het erf worden gepleegd. De gedragingen kunnen worden gepleegd door de gebruiker van de woning zelf of door bezoekers, gasten of vrienden van de gebruiker, maar ook door (bijvoorbeeld) diens hond. Het gaat om de woning die, of het erf dat, de overlastgever gebruikt. De gedragingen die worden gepleegd in de nabije omgeving van de woning, bijvoorbeeld in de tuin van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Zorgplicht De gemeenteraad heeft in artikel 2:49a, eerste lid, van de APV bepaald dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, er zorg voor dient te dragen dat door gedragingen in of rondom die woning of dat erf geen ernstige hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Onmiddellijke nabijheid De nabije omgeving van de woning. Gedragingen in tuin van de buren of op de stoep voor de woning van de buren, vallen in beginsel onder de bepaling. Ernstige en herhaaldelijke hinder het herhaaldelijk vertonen of veroorzaken van ernstige vormen van hinder. Onder hinder vallen niet alleen gedragingen die de openbare orde verstoren, maar ook relatief kleine vergrijpen, zoals een hond die continu blaft, omwonenden die hun portiek niet schoonhouden en buren die laat in de nacht luidruchtige gasten over de vloer hebben. Artikel 2:49a APV somt enkele niet-limitatief bedoelde vormen van “ernstige hinder” op. Met de term ‘herhaaldelijk’ wordt gedoeld op het vereiste dat de ernstige hinder een terugkerend karakter heeft (wat niet noodzakelijkerwijze hetzelfde is als “ernstige hinder zonder onderbreking”). De burgemeester geeft geen toepassing aan de bestuursdwangbevoegdheid op basis van één incident. Last onder dwangsom of onder bestuursdwang De burgemeester is alleen dan bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang1 of een last onder dwangsom2 , indien de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. 1 Last onder bestuursdwang is een zogenaamde herstelsanctie. Het doel van een bestuursdwang is om de overtreder van een wettelijk voorschrift te bewegen deze overtreding ongedaan te maken, of, als dat niet lukt, het ongedaan maken van de overtreding door de overheid. 2 Last onder dwangsom is de verplichting om iets te doen onder dreiging van dwangsommen. Een last onder dwangsom kan opgelegd worden om een overtreding (gedeeltelijk) te beëindigen of om herhaling van een overtreding te voorkomen. Een last onder dwangsom kan ook preventief opgelegd worden. Aanwijzingen over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen (gedragsaanwijzing) Ter bestrijding van ernstige woonoverlast is de burgemeester bevoegd tot het geven van een specifieke gedragsaanwijzing. De gedragsaanwijzing neemt in juridische zin de vorm aan van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. In deze last staat dat de overlastgever bepaalde handelingen moet doen of juist moet nalaten zodat de overlast ophoudt. De gedragsaanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Titel 5.3 van de Awb (Herstelsancties) is van toepassing. Vanwege de bevoegdheidstoedeling om een last onder dwangsom of op te leggen, is de burgemeester op grond van artikel 5:32 van de Awb tevens bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen. De burgemeester kan een last onder dwangsom opleggen met de verplichting tot de betaling van een geldsom indien de last niet wordt uitgevoerd. Het geven van een gedragsaanwijzing is pas aan de orde indien de inzet van een minder ingrijpende (lichtere) maatregelen redelijkerwijze niet toereikend is. Bij de last onder dwangsom verbeurt de betrokken bewoner een dwangsom, indien deze binnen de begunstigingstermijn niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet. Mocht dit onvoldoende effect hebben, dan kan de burgemeester middels een last onder bestuursdwang door feitelijk handelen de overlast tot een einde brengen, met inachtneming van een begunstigingstermijn. Omwonenden Mensen die in de directe nabijheid wonen van de woning waarvandaan de overlast plaatsvindt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel