Een eenmaal verstrekte maatwerkvoorziening kan door veranderingen in de situatie niet meer adequaat of zelfs noodzakelijk zijn. Het is nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van de inwoner (artikel 2.3.8 lid 1 van de Wet) alle feiten en omstandigheden waarvan het de inwoner redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de beslissing, aan het college te melden. Daarbij heeft het college een verantwoordelijkheid (artikel 2.3.8 lid 2 van de Wet) voor zover het gaat om gegevens waar het college over kan beschikken (zoals de basisadministratie van de gemeente). Ook is in artikel 2.3.8 lid 3 van de Wet nadrukkelijk geregeld dat een inwoner verplicht is de medewerking te verlenen die nodig is voor de uitvoering van de wet. Voorts regelt de Wet in artikel 2.3.9 dat het college periodiek onderzoekt of er aanleiding is een beslissing te heroverwegen.
Alles bij elkaar levert dit een systeem op waardoor zo veel mogelijk gewaarborgd is dat toegekende maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten steeds noodzakelijk en adequaat zijn. Daardoor is het mogelijk dat er ontdekt wordt dat er een maatwerkvoorziening verstrekt is op onjuiste gegevens of dat een maatwerkvoorziening reeds geruime tijd niet meer verstrekt had hoeven worden. Tevens wordt ook bepaald wanneer de beslissing in werking treedt en wordt aangegeven wanneer een herziening of een intrekking aan de orde kan zijn.
Hoofdstuk 17.
Artikel 17.1.