Naar hoofdinhoud
Indien een beslissing aangaande een verstrekking is ingetrokken en er sprake is van opzet, dan is het mogelijk geheel of gedeeltelijk de geldwaarde te vorderen van de inwoner, of in voorkomende gevallen aan de erfgenamen en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. Artikel 2.4.1 van de Wet geeft hiervoor in lid 2 een titel: het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. In artikel 15 van de Verordening worden deze wettelijke regels weergegeven en verder uitgewerkt. De verordening voegt aan de wettelijke regelingen toe dat voorzieningen die in eigendom of in bruikleen zijn verstrekt, kunnen worden teruggevorderd. In dit systeem is het van belang dat de volgorde goed wordt aangehouden: eerst dient te worden vastgesteld dat er sprake is van één van de in artikel 2.3.10 van de Wet geschetste situaties, dan dient beoordeeld te worden of dit vast staat en of er sprake is van opzet. Is dit het geval dan kan de genomen beschikking gewijzigd of ingetrokken worden. Pas als de beschikking is ingetrokken en er sprake is van opzet, kan overgegaan worden tot terugvordering, indien nodig via een dwangbevel. Gaat er in deze volgorde iets fout en gaat inwoner naar de rechter, dan zal de beslissing geen stand kunnen houden. Verder regelt de Verordening dat bij de berekening van een terugvordering niet zijnde diensten, rekening wordt gehouden met afschrijvingstermijnen, welke door het college worden vastgesteld in het besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel