**1..** Het college ziet af van een verlaging als:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
de gedraging meer dan twaalf maanden voor de constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden.
**2..** Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
**3..** Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. De schriftelijke mededeling bevat in ieder geval de reden(en) waarom een verlaging zou worden toegepast en de dringende reden(en) op grond waarvan het college afziet van de verlaging.
**4..** Van een verlaging wegens een gedraging van de eerste categorie, bedoeld in artikel 2.7. onderdeel a onder 1° en artikel 2.9. onderdeel a onder 1° van dit hoofdstuk, kan worden afgezien en kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van de verwijtbare gedraging, tenzij het niet nakomen van deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaren, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing voor die gedraging is gegeven.
**5..** De verlaging wegens een gedraging van de eerste categorie, bedoeld in artikel 2.7. onderdeel a onder 2° en artikel 2.9. onderdeel a onder 2° van dit hoofdstuk, wordt overeenkomstig artikel 18 lid 3 Participatiewet, uiterlijk 3 maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag, heroverwogen. Deze bepaling geldt onverminderd voor belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW of IOAZ.
Hoofdstuk 2. › PARAGRAAF 1.
Artikel 2.4.